ECLI:NL:PHR:2007:BA5624
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling tot gevangenisstraf en TBS met bevel tot verpleging wegens doodslag met verminderde toerekeningsvatbaarheid
De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor doodslag gepleegd op 1 december 2004 in Amsterdam, waarbij het slachtoffer meermalen met een mes werd gestoken. Het hof achtte de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar vanwege een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en afhankelijke kenmerken, zoals vastgesteld in een multidisciplinaire rapportage van gedragsdeskundigen. Deze stoornis beïnvloedde zijn gedragskeuzes en leidde tot een verminderd vermogen tot impulsbeheersing.
Tegen de oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging werd cassatie ingesteld. De Hoge Raad bevestigde dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom het afweek van het standpunt van de verdediging en de contra-expertise van een andere psychiater. De motivering van het hof was, ondanks enige magerheid, toereikend gelet op het uitgebreide deskundigenonderzoek en de hoorzittingen.
De benadeelde partij, de vader van het slachtoffer, had een vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens shockschade ingediend. Het hof kende een bedrag van €5.000 toe, maar de Hoge Raad vernietigde dit gedeelte van het arrest wegens onvoldoende motivering en stelde dat shockschade alleen in uitzonderlijke gevallen en met een psychiatrisch erkend ziektebeeld voor vergoeding in aanmerking komt. De vordering werd uiteindelijk niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad bevestigde de strafrechtelijke uitspraak en de oplegging van TBS met bevel tot verpleging, gelet op het recidivegevaar en het ontbreken van vrijwillige behandelbereidheid bij de verdachte. De strafmaat van zes jaar gevangenisstraf werd passend geacht.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf en TBS met bevel tot verpleging; immateriële schadevergoeding aan benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.