ECLI:NL:PHR:2016:684

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 mei 2016
Publicatiedatum
20 juli 2016
Zaaknummer
15/01643
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 117 SvArt. 27 SvArt. 61a SvArt. 62a SvArt. 94 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toewijzing shockschade vordering zoon na doodslag echtgenote

De verdachte is door het hof veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf wegens doodslag op zijn echtgenote. De zoon van de verdachte, tevens benadeelde partij, vorderde immateriële schadevergoeding wegens shockschade na de confrontatie met het stoffelijk overschot van zijn moeder.

De rechtbank verklaarde deze vordering niet-ontvankelijk wegens gebrek aan medische rapportage en de complexiteit van shockschade in het strafproces. Het hof kende de vordering echter toe, stellende dat de zoon een medisch vastgesteld psychiatrisch erkend ziektebeeld had, namelijk een posttraumatisch stress syndroom, veroorzaakt door de emotionele schok.

De verdediging voerde meerdere middelen aan, waaronder niet-ontvankelijkheid van het OM wegens vernietiging van kogelpatronen en onrechtmatige bewijsvoering, en betwistte de toewijzing van shockschade. De Hoge Raad verwierp deze middelen, bevestigde het oordeel van het hof over de shockschade en oordeelde dat de strafoplegging wegens overschrijding van de redelijke termijn moest worden verminderd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en toewijzing van shockschade, maar vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 15/01643
Zitting: 24 mei 2016
Mr. G. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 18 februari 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “doodslag”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als bepaald in het bestreden arrest.
Namens de verdachte heeft Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3.De zaak

3.1.
Het gaat in deze zaak om het volgende. De verdachte is veroordeeld voor doodslag op zijn vrouw door haar meermalen met een vuurwapen op het hoofd en tegen het gezicht te slaan en haar te wurgen. Het slachtoffer is aangetroffen aan het begin van een bospad, op honderd meter afstand van een parkeerplaats. De verdachte bevond zich op dat moment bij zijn auto op die parkeerplaats en had een klein hoofdwondje. De verdachte heeft vanaf de eerste contacten met de politie verklaard met het slachtoffer een wandeling te hebben gemaakt en te zijn overvallen door een onbekende man die uit de bosjes sprong. Het hof heeft dit alternatieve scenario onderzocht en onaannemelijk bevonden. Later in het strafproces heeft de verdachte zich steeds beroepen op zijn zwijgrecht.
3.2.
Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd dat:
“hij, op of omstreeks 11 augustus 2009 te Simonshaven, gemeente Bernisse, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte (en zijn mededader(s)) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk, [slachtoffer] (meermalen)
- (met kracht) (met een zwaar voorwerp en/of een vuurwapen althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) op/tegen haar hoofd en/of gezicht geslagen en/of
- met geschoeide voet(en) op/tegen haar hoofd en/of nek geschopt en/of getrapt en/of gestampt en/of
- haar nek en/of hals samengeknepen en/of samengedrukt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden”
3.3.
Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij, op 11 augustus 2009 te Simonshaven, gemeente Bernisse, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk [slachtoffer] meermalen
- met kracht met een vuurwapen op/tegen haar hoofd en gezicht geslagen en
- haar nek en/of hals samengeknepen en/of samengedrukt, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden”

4.Het eerste middel

4.1.
Het middel klaagt dat het hof het verweer inhoudende dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de kogelpatronen zijn vernietigd, onbegrijpelijk en onvoldoende met redenen omkleed heeft verworpen.
4.2.
Blijkens de op de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2015 overgelegde pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte aldaar onder meer het navolgende aangevoerd [1] :

Ad V vernietiging kogelpatronen
Uit de brief van de advocaat-generaal van 7 juli 2014 is de verdediging en uw Hof op de hoogte gebracht over de ongelukkige gang van zaken met betrekking tot de vernietigde kogelpatronen.
Een zaak van de Hoge Raad in 2009 lijkt qua gang van zaken met betrekking tot deze vernietiging op de zaak van cliënt. In deze zaak bestond de verdenking kort gezegd uit het smokkelen van harddrugs in een koffer. Het Hof oordeelde ter zitting dat zij het noodzakelijk achtte dat het hof de koffer (...) zo compleet mogelijk met verpakkingsmateriaal ter terechtzitting kan onderzoeken. Tijdens een latere zitting werd melding gemaakt van een proces-verbaal waarop stond dat de koffer reeds is vernietigd. Toch kwam het Hof uiteindelijk tot een veroordeling.
De Hoge Raad oordeelde in r.o. 3.4:
“Gelet op een en ander had het Hof nader moeten motiveren waarom het niettemin tot het, mede aan de verwerping van het verweer ten grondslag gelegde oordeel is gekomen dat de verdachte de koffer vóór zijn vertrek niet voldoende zorgvuldig heeft onderzocht.”
Mr. J.M. Reijntjes schreef in zijn noot bij dit arrest:
“Wanneer de rechter vaststelt dat nader onderzoek nodig is, (...) geldt als uitgangspunt dat dit onderzoek daadwerkelijk dient te worden verricht. Zonder dat onderzoek kon het, naar het oordeel van de rechter, immers niet! Dit klemt temeer, wanneer het bevel daartoe ambtshalve is gegeven. Hierop kan echter een uitzondering worden gemaakt wanneer blijkt dat het onderzoek niet meer of alleen onder bezwarende omstandigheden mogelijk is. Zelfs dan mag de rechter nog tot een veroordeling komen, maar - vanzelfsprekend, zou men zeggen - pas nadat hij heeft uitgelegd waarom dit kan zonder dat het onderzoek heeft plaatsgevonden. In het onderhavige geval mocht worden verwacht dat niet alleen zichtbaar was gemaakt in hoeverre de verdediging door het verdwijnen van de koffer werd geschaad, maar ook in de beschouwing werd betrokken dat dit aan het OM viel toe te rekenen.”
De verdediging concludeert met deze uitspraak dat de Hoge Raad een strikte motiveringsplicht hanteert wanneer het Hof bepaald onderzoek noodzakelijk heeft geacht, waarna vervolgens gebleken is dat dit niet meer mogelijk was. Deze motiveringsplicht geldt vooral in de gevallen waarin met een veroordeling aan het verweer van de verdediging met betrekking tot dat object voorbij gegaan wordt.
Nu terug naar de zaak van cliënt. Vast staat dat de door het OM verwijderde kogels naast het lichaam van [slachtoffer] zijn gevonden en dat op die kogels een DNA-spoor van een onbekende derde persoon is aangetroffen. De verdediging heeft gedurende het gehele proces dit gegeven passend geacht binnen het door cliënt geschetste alternatieve scenario inhoudende dat zij zijn aangevallen door een man uit de bosjes.
Nu het hof met nader onderzoek naar de kogels wilde laten uitzoeken of de chemische samenstelling van de twee kogels overeenkomt met de chemische samenstelling op de kruidsporen van de handen van cliënt en zijn vrouw en tevens met de hoofdwond van zijn vrouw, raakt dit nader te verrichten onderzoek direct het belang van de verdediging omtrent het te voeren verweer met betrekking tot het alternatieve scenario. Nu de kogels vernietigd zijn is het onderzoek echter niet meer mogelijk.
De officier van justitie schrijft in haar brief aan de advocaat-generaal d.d. 3 september 2014 dat noch in het OM- noch in het politiedossier een KVI inzake de patronen is aangetroffen, wat middels het aangehaalde protocol tot de vernietiging heeft geleid. Bovendien zou de beslissing tot vernietiging niet aan het OM zijn voorgelegd.
De verdediging stelt zich ten aanzien van dit punt ten eerste op het standpunt dat het OM met deze feitelijke omschrijving van de gang van zaken niet de verantwoordelijkheid voor het beheer van inbeslaggenomen goederen kan afschuiven op de politie en derhalve zelf niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor de vernietiging. Het openbaar ministerie is immers op haar beurt verantwoordelijk voor de strafrechtelijke werkzaamheden van de politie.
Daarnaast houdt de verdediging het OM direct verantwoordelijk voor de vernietiging. Tot vandaag de dag gelden namelijk nog steeds de beleidsregels van de Aanwijzing Inbeslagneming bij art. 94 Sv Pro (hierna: de Aanwijzing).
Volgens artikel IV.2. hadden de kogels bewaard moeten blijven, omdat: “Waarheidsvindingsbeslag dient te worden bewaard:
• Zolang nog onderzoek aan het voorwerp wordt gedaan of niet uitgesloten kan worden dat nog onderzoek aan het voorwerp moet worden gedaan;
• Indien het voorwerp op zitting als stuk van overtuiging getoond moet kunnen worden;
• Indien het voorwerp nodig is of kan zijn voor contra-expertise.”
Alle drie de redenen zijn van toepassing op de kogels in de zaak van cliënt. Ook al zat er geen KVI in het dossier - wat overigens tevens in strijd is met de Aanwijzing, volgens artikel II.2 - de officier van justitie had moeten beseffen dat een dergelijk voorwerp als deze kogels met het DNA-spoor in een dermate grote strafzaak bewaard had moeten blijven. Ook had de officier de vernietiging kunnen voorkomen door direct te handelen vanaf het moment dat het protocol van 2011 in werking ging.
Bovendien acht artikel 1.5 van de Aanwijzing het OM uitdrukkelijk verantwoordelijk voor het (laten) nemen van zowel de beslissing over de juridische bestemming als de beheerbeslissing omtrent de noodzaak om het voorwerp fysiek te bewaren totdat het beslag juridisch is afgedaan.
De verdediging houdt het OM dus zowel direct als indirect verantwoordelijk voor de vernietiging van de kogels, wat tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde op 15 februari 2013 dat de verdachte “in zijn verdediging is geschaad nu hem de mogelijkheid is ontnomen om zijn verdediging in volle omvang vorm te geven, nu het onder aangever aangetroffen mes niet overeenkomstig de Aanwijzing inbeslagneming in beslag is genomen. Hierdoor is aan de verdediging de kans ontnomen het verweer van verdachte, namelijk dat hij het aangetroffen mes in het geheel nooit heeft vastgehad, te staven met een uitgevoerd sporenonderzoek.”
Het standpunt van de AG in deze zaak dat “op geen enkele manier is overigens een aanknopingspunt gevonden dat dit patroon op één of andere manier betrokken is bij het geweld dat op Joke Lorsé is uitgeoefend.” komt nu wel in een vreemd daglicht te staan. Dit discutabele standpunt kan door de vernietiging niet meer keihard worden weerlegd.
Bij de toetsing aan artikel 359a lid 2 Sv is ook hier opnieuw de vraag of de verdachte in zijn belangen is geschaad en of de verdachte door de gang van zaken daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden. Het door het Hof noodzakelijk geoordeelde onderzoek zou het bestaan of ontbreken van een duidelijke relatie tussen de aangetroffen kogels en het incident, via de schotresten op de handen en de hoofdwond van [slachtoffer] hebben kunnen aantonen. De verdachte wordt door de frustratie van dit nadere onderzoek in zijn belangen geschaad omdat de beoordeling van het belang van het onbekende DNA op één van de kogels mede van dit onderzoek afhankelijk kan worden geacht.”
4.3.
Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

Ad V: het vernietigen van de op de plaats delict aangetroffen kogelpatronen
Ter terechtzitting van 23 april 2014 heeft het hof de advocaat-generaal verzocht om nader deskundigenonderzoek te laten verrichten naar de eventuele overeenkomst(en) in chemische samenstelling tussen onder meer (de kruitlading in) de op de plaats delict gevonden kogelpatronen en de schotresten (A- en eventueel B-deeltjes) die bij de verdachte en het slachtoffer zijn aangetroffen. Uit de brief van de advocaat-generaal van 7 juli 2014 en de daarbij gevoegde bijlagen volgt dat de op de plaats delict aangetroffen kogelpatronen zijn vernietigd door medewerkers van de Forensische Opsporing van de politie Rotterdam-Rijnmond in lijn met het 'Protocol afhandelen aangetroffen vuurwapens & munitie', waarin -kort samengevat- onder meer is bepaald dat wapens en munitie in beginsel na 30 dagen moeten worden vernietigd.
Gebleken is dat alvorens tot vernietiging over te gaan niet overeenkomstig het gestelde in artikel 117 Sv Pro daartoe machtiging is gevraagd aan de officier van justitie.
In artikel IV.2 van de Aanwijzing inbeslagneming (artikel 94 Sv Pro) (Stcrt. 2010, 19117) is onder meer bepaald dat een in het kader van de waarheidsvinding inbeslaggenomen voorwerp dient te worden bewaard zolang nog onderzoek aan het voorwerp wordt gedaan of niet uitgesloten kan worden dat nog onderzoek aan het voorwerp moet worden gedaan dan wel indien het voorwerp nodig is of kan zijn voor contra- expertise. Dit kan met zich meebrengen dat het desbetreffende voorwerp bewaard moet blijven tot aan het moment dat in de strafzaak onherroepelijk is beslist.
Anders dan de raadsman stelt, kan het vernietigen van de kogelpatronen naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een vormverzuim begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek. Het onderzoek ter terechtzitting is reeds op 27 november 2009 is aangevangen en de vernietiging van de patronen is na de inwerkingtreding in 2011 van het Protocol 'afhandeling aangetroffen vuurwapens en munitie' geschied. Reeds hierom kan het vormverzuim niet op grond van artikel 359a Sv leiden tot de in dat artikel voorziene rechtsgevolgen.
Het hof ziet ook geen aanleiding aan de vernietiging van de kogelpatronen op een andere grond de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te verbinden. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Door het vernietigen van de kogelpatronen is gehandeld in strijd met voormelde voorschriften. Dit kan naar het oordeel van het hof leiden tot een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Naar het oordeel van het hof raakt het handelen in strijd met voormelde voorschriften een in het kader van het recht op een eerlijk proces belangrijk beginsel, namelijk dat in beslag genomen voorwerpen beschikbaar dienen te blijven voor (tegen)onderzoek.
Het hof acht van belang hetgeen kan worden vastgesteld omtrent de intentie(s) van de betrokken politiefunctionarissen bij de beslissing tot het vernietigen van. de kogelpatronen. Uit de processenverbaal die over de vernietiging zijn opgemaakt, komt niet naar voren dat bij de vernietiging van de kogelpatronen doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan.
Naar het oordeel van het hof lijkt hier veeleer sprake te zijn geweest van onzorgvuldig en onnadenkend omgaan met stukken van overtuiging. In een zaak van importantie zoals de onderhavige moet dat zorgwekkend worden geacht. Het hof is echter van oordeel dat hieraan in het onderhavige geval geen consequenties behoeven te worden verbonden mede gelet op het navolgende.
De verdachte is naar het oordeel van het hof door de vernietiging van de kogelpatronen niet in zijn belangen geschaad. De verdediging heeft in dit verband onvoldoende aangevoerd. Dat het door het hof gelaste onderzoek mogelijk meer duidelijkheid zou kunnen verschaffen over de relatie tussen de op de plaats delict gevonden kogelpatronen en de schotresten aangetroffen op de verdachte en het slachtoffer maakt zulks niet anders, nu het ontbreken van meer duidelijkheid daaromtrent niet bijdraagt tot enig bewijs in belastende dan wel ontlastende zin.
Voormelde feiten en omstandigheden brengen het hof tot het oordeel dat over het geheel genomen geen sprake was van handelen dat dient te worden gekwalificeerd als een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij door het openbaar ministerie en/of verbalisanten doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan.
Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het Openbaar Ministerie vanwege de vernietiging van de kogelpatronen niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte dan wel daaraan het gevolg van strafvermindering te verbinden.”
4.4.
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376, rov. 3.6.5).
4.5.
Het hof heeft het beroep op niet-ontvankelijkheid voor zover dat was gebaseerd op art. 359a Sv verworpen op de grond dat, nu het onderzoek ter terechtzitting reeds op 27 november 2009 is aangevangen en de vernietiging van de patronen daarna (na de inwerkingtreding in 2011 van het Protocol ‘Afhandeling aangetroffen vuurwapens en munitie’) is geschied, er geen sprake is van een vormverzuim dat is begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek. Dat oordeel wordt door het cassatiemiddel terecht niet bestreden. Het hof heeft het daarbij niet gelaten, maar het gevoerde verweer kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus verstaan dat het mede gebaseerd was op andere, in het bijzonder aan analogische toepassing van art. 359a Sv ontleende, gronden. [2]
4.6.
Het hof heeft vastgesteld dat de op de plaats delict aangetroffen kogelpatronen zijn vernietigd door medewerkers van de Forensische Opsporing van de politie Rotterdam-Rijnmond. Het heeft vervolgens geoordeeld i) dat alvorens tot vernietiging over te gaan in strijd met art. 117 Sv Pro geen machtiging aan de officier van justitie is gevraagd en ii) dat de kogelpatronen in strijd met de Aanwijzing inbeslagneming niet zijn bewaard. Het hof heeft geoordeeld dat het handelen in strijd met voormelde voorschriften een in het kader van het recht op een eerlijk proces belangrijk beginsel raakt, namelijk dat in beslag genomen voorwerpen beschikbaar dienen te blijven voor (tegen)onderzoek. Het hof heeft vervolgens de vraag onder ogen gezien of daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte is tekortgedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Het hof heeft geoordeeld dat dit niet het geval is en heeft daarbij in aanmerking genomen dat hier veeleer sprake lijkt te zijn geweest van onzorgvuldig en onnadenkend omgaan met stukken van overtuiging.
4.7.
Dat oordeel, dat bezien tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 4.6 is vooropgesteld niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is, draagt het gevoerde verweer zelfstandig. Als ik het goed begrijp wordt dat oordeel ook niet door het cassatiemiddel aangevochten. Geklaagd wordt enkel dat het oordeel van het hof dat de verdachte niet in zijn verdedigingsbelang is geschaad, onbegrijpelijk is. Die klacht behoeft, nu het zojuist bedoelde oordeel de verwerping zelfstandig draagt, geen bespreking. Ik volsta daarom met de opmerking dat niet elk nadeel dat de verdediging ondervindt, maakt dat niet langer van een eerlijk proces kan worden gesproken en met de opmerking dat het onderzoek naar de kogelpatronen door het hof ambtshalve is gelast. [3] De verdediging heeft daar noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep om verzocht.
4.8.
Het middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1.
Het middel klaagt dat de verwerping van het hof van het verweer dat schiethanden van de verdachte onrechtmatig zijn afgenomen en dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel bewijsuitsluiting, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende met redenen is omkleed.
5.2.
Blijkens de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2015 overgelegde pleitnotities (zie p. 10-13 en p. 59) heeft de raadsman van de verdachte aldaar twee verweren gevoerd (een beroep op de onrechtmatige afname van schiethanden en een Salduz-verweer) die met elkaar zijn verknoopt. In de eerste plaats is aangevoerd dat en waarom de verdachte alvorens er bij hem ‘schiethanden’ werden afgenomen, reeds als verdachte was aangemerkt. Daaruit volgt volgens de verdediging dat de verdachte dus ook voorafgaande aan het daarop volgende verhoor reeds als verdachte was aangemerkt. Gelet daarop had hij voorafgaand aan het verhoor recht op consultatie van een raadsman en had hem de cautie moeten worden gegeven. Nu dit niet is geschied is sprake van een vormverzuim ex. art. 359a Sv en moet het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard. Tevens is aangevoerd dat de schiethanden onrechtmatig zijn afgenomen nu er, anders dan is vereist voor toepassing van art. 61a Sv, geen bevel ex art. 62a Sv is gegeven en evenmin uit het dossier blijkt dat de verdachte voor het afnemen van die schiethanden toestemming heeft gegeven. De raadsman heeft geconcludeerd dat er sprake is van een vormverzuim ex. art. 359a Sv dat moet leiden tot bewijsuitsluiting.
5.3.
Het hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

Ad II: het horen van [verdachte] als getuige en- niet als verdachte
Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.
In het Rapport van de Meldkamer Politie (bijlage bij proces-verbaal met nummer 0908112115.AMB, p. 473) staat vermeld: “11-08-2009 21:39 (...) cvd d11: man die vervoerd, [verdachte] , wordt aangemerkt als verdachte, collega is mee op de ambulance."
In een proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2009 (p, 467 e.v.) van inspecteur [verbalisant 1] is daarover - meer uitgebreid - gerelateerd dat na overleg met de Chef Opsporing [verbalisant 2] en reeds voordat [verdachte] per ambulance was vervoerd, gezamenlijk werd besloten [verdachte] aan te merken als getuige maar dat wel de handen van deze getuige werden veilig gesteld op sporen. In dit proces-verbaal is voorts vermeld dat in de (voormelde) rapportage van de Meldkamer Politie van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond abusievelijk is vermeld dat het mannelijk slachtoffer [verdachte] als verdachte werd aangemerkt. De verklaring van de verbalisant hiervoor is dat deze rol aan het mannelijk slachtoffer is gekoppeld omdat in opdracht van de verbalisant en tevens Chef van Dienst, [verbalisant 2] , medewerkers werden meegestuurd naar het ziekenhuis en van het slachtoffer schiethanden waren veiliggesteld. Wellicht een verkeerde interpretatie van de zijde van de Meldkamer Politie, zo wordt in het proces-verbaal opgemerkt.
Het hof leidt hier uit af dat - gelet op het proces-verbaal van bevindingen van 12 september 2009 - er bij de opsteller van het rapport van de meldkamer kennelijk sprake is geweest van een misverstand met betrekking tot de status van de persoon [verdachte] , maar dat verdachte op het moment dat hij in de ambulance werd vervoerd door de direct bij het onderzoek betrokken opsporingsambtenaren niet werd aangemerkt als verdachte, maar als getuige.
In het dossier bevindt zich voorts een proces-verbaal Forensische Opsporing van 25 oktober 2009 (p. 484 e.v.) betreffende ingesteld technisch onderzoek naar aanleiding van een geweldsdelict op 11 augustus 2009 waarbij een vrouw om het leven is gekomen. Hierin wordt onder het kopje 'Afname schiethanden' vermeld: "Op dinsdag 11 augustus 2009, omstreeks 22:00 ben ik, verbalisant [verbalisant 3] , op verzoek van de Coördinator Plaats Delict Unit [verbalisant 4] gegaan naar het Ruwaard van Puttenziekenhuis te Spijkenisse, om aldaar een man en zijn kleding te onderzoeken op aanwezigheid van eventuele aan het misdrijf gerelateerde sporen. Deze man zou zijn genaamd [verdachte] en betrokken zijn geweest bij een moord c.q. doodslag (…)”
Anders dan de raadsman leidt het hof uit dit proces-verbaal niet af dat de verbalisant die het schotrestenonderzoek diende te verrichten, deze persoon reeds aanmerkte als verdachte, nu enkel de, naar het oordeel van het hof, meer neutrale bewoording 'betrokken bij' is gebruikt in voornoemd proces-verbaal.
Voorts is het hof van oordeel dat ook uit de omstandigheid dat bij [verdachte] een schotrestenonderzoek aan de handen is verricht, niet volgt dat hij als verdachte werd aangemerkt, ook niet indien in aanmerking wordt genomen dat een dergelijk onderzoek als dwangmiddel op grond van het bepaalde in artikel 61a Sv alleen maar bij een voor onderzoek opgehouden verdachte kan worden bevolen. Een dergelijk onderzoek kan immers ook worden verricht bij iemand die niet als verdachte is aangemerkt, mits het niet plaatsvindt tegen de wil van de betrokkene. In casu is gesteld noch gebleken dat verdachte op enig moment te kennen heeft gegeven bezwaren te hebben tegen (de voorbereidingen tot) het verrichte onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van schotresten op zijn handen.
Dat uit het dossier niet blijkt dat om vrijwillige medewerking is gevraagd en dat deze expliciet is verleend, doet aan het voorgaande niet af. Gelet op het scenario dat door de verdachte direct na het incident was geschetst, is er geen aanleiding te veronderstellen dat hij zijn medewerking aan dit onderzoek zou hebben geweigerd. Nu de schiethanden kort na het aantreffen van het slachtoffer en de verdachte werden veiliggesteld en verder onderzoek naar het door de verdachte geschetste scenario nog niet had kunnen plaatsvinden, was er ook onvoldoende aanleiding hem op dat moment reeds aan te merken als verdachte.
Daarnaast blijkt uit een proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 5] (p. 1) dat op 11 augustus 2009 omstreeks 23.24 door voornoemde [verbalisant 2] met de officier van justitie Boender werd afgesproken [verdachte] na ontslag uit het ziekenhuis als getuige te horen. Als hij, getuige, zichzelf zou gaan belasten of als er belastende verklaringen door andere getuigen zouden worden afgelegd, moest er contact worden opgenomen met de desbetreffende officier van justitie voor eventuele aanhouding buiten heterdaad.
Daarna is de verdachte blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 12 augustus 2009 (p. 23) op 12 augustus tussen 00:15 en 3:11 als getuige gehoord. Diezelfde dag is hij om 14:40 aangehouden als verdachte (persoonsdossier proces-verbaal nummer 200927827-2).
Gelet op deze in het dossier beschreven gang van zaken, in onderling verband en samenhang bezien, zijn er naar het oordeel van het hof geen gronden voor de stelling van de raadsman dat de verdachte reeds vóór bedoeld verhoor als getuige door de politie is aangemerkt als verdachte in de zin van artikel 27 Sv Pro. Ook biedt deze gang van zaken naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten voor de stelling van de raadsman dat [verdachte] reeds vóór bedoeld verhoor als getuige formeel als verdachte had moeten worden aangemerkt. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat de verdachte zelf herhaaldelijk melding had gemaakt van een scenario waarbij hij slachtoffer was en dit scenario niet op voorhand kon worden uitgesloten. Toen werd aangevangen met het verhoor van de verdachte als getuige, was op de plaats delict gesproken met personen die daar aanwezig waren, waren [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] als getuige gehoord en was aangevangen met het verhoor van de schoondochter van de verdachte, [betrokkene 6] . De inhoud van de verkregen informatie, voor zover reeds bekend bij aanvang van het verhoor als getuige van de verdachte, was echter naar het oordeel van het hof niet van dien aard, dat reeds daaruit een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de verdachte kon worden afgeleid. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte zelf een scenario had aangevoerd waarin hij slachtoffer was en dat dit scenario op dat moment nog niet kon worden uitgesloten.
Gelet op de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden behoefde de verdachte bij het verhoor op 12 augustus tussen 00:15 en 3:11 niet de cautie te worden gegeven en behoefde hij niet te worden gewezen op het recht van consultatie van een raadsman voorafgaand aan het verhoor. Het hof is gezien het voorgaande van oordeel dat in deze situatie geen sprake was van schending van een vormvoorschrift en dus evenmin van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
Het voorgaande brengt tevens met zich dat het hof het verweer van de raadsman dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard verwerpt.”
5.4.
Hoewel in de toelichting op het middel uitvoerige beschouwingen worden gewijd aan de Salduz-problematiek, bevat noch het middel zelf, noch de toelichting daarop een zelfstandige, als zodanig herkenbare klacht over de verwerping van het gevoerde Salduz-verweer. Ik volsta daarom met de opmerking dat de gegrondbevinding van een dergelijk verweer niet pleegt te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en dat het in het verweer bedoelde verhoor niet heeft geleid tot een verklaring die door het hof voor het bewijs is gebezigd.
5.5.
Aan het verweer dat de afname van de schiethanden onrechtmatig is geweest, heeft de raadsman niet, althans niet uitdrukkelijk de conclusie verbonden dat het Openbaar Ministerie op grond daarvan niet-ontvankelijk diende te worden verklaard, zodat het hof het aangevoerde niet in die zin heeft behoeven te verstaan. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag. De raadsman heeft wel gepleit voor bewijsuitsluiting, maar niet aan de hand van de factoren die de Hoge Raad maatgevend heeft geacht, terwijl allesbehalve evident is dat het beweerdelijke verzuim tot bewijsuitsluiting aanleiding geeft. Reeds daarom kan het middel niet slagen.
5.6.
Opmerking verdient nog dat het middel niet klaagt over het overwegend feitelijke oordeel van het hof dat en waarom de verdachte ten tijde van het afnemen van de ‘schiethanden’ nog niet als verdachte was aangemerkt. Voor het overige berust het middel op de opvatting dat het afnemen van schiethanden bij een persoon die niet als verdachte is aangemerkt, alleen rechtmatig is als daarvoor door die persoon expliciet toestemming is gegeven. Die opvatting vindt geen steun in het recht.
5.7.
Het middel faalt.

6.Het derde middel

6.1.
Het middel klaagt dat het hof het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] en het verzoek tot het doen uitvoeren van een schouw onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed heeft afgewezen.
6.2.
Blijkens de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2015 overgelegde pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte aldaar onder meer het navolgende aangevoerd [4] :

Ad 4: redenen waarom onderzoeksresultaten (voorts) niet kunnen bijdragen tot het bewijs
Ten slotte zal de verdediging aan een aantal onderzoeksresultaten - waarvan sommige reeds genoemd zijn - nadere aandacht besteden en bepleiten waarom deze (voorts) niet kunnen bijdragen tot het bewijs. Het betreft:
(…)
(i) Mensen in auto zien zitten;
(…)
Ad (i) mensen in auto zien zitten
Tijdens de raadkamerzitting van 22 november 2013 benoemde de advocaat generaal als één van de opvallende onwaarschijnlijkheden in het alternatieve scenario van [verdachte] dat getuigen verklaren dat ze rond 19:30 uur en rond 20:00 uur mensen in de auto zien zitten.
Bij de behandeling van de zaak bij de rechtbank heeft het openbaar ministerie dit onbesproken gelaten. Aan de verklaringen van de betreffende getuigen werd kennelijk door de officier van justitie geen waarde gehecht.
De advocaat generaal refereert nadrukkelijk naar deze verklaringen, als zijnde bevindingen van onafhankelijke getuigen. Het betreft de verklaringen van twee fietsers ( [getuige 4] en [getuige 5] , vriend en vriendin, waarbij de laatste alleen een schim heeft waargenomen), de bestuurder van een tractor ( [getuige 6] ) en een automobilist ( [getuige 7] ).
Tijdens het verhoor bij de raadsheer commissaris nuanceert [getuige 4] zijn verklaring: ”lk heb even gedacht of er iemand in de auto zat.... Het was een gevoel van volgens mij zit er iemand in de auto, ik wist het niet zeker.” Zijn vrouw [getuige 5] verklaart bij de raadsheer commissaris, anders dan bij de politie dat zij zelf niets heeft gezien.
Tijdens de zitting op locatie van 7 september 2010 heeft de rechtbank uitvoerig aandacht aan de waarnemingen van de getuigen besteed. In het proces-verbaal van deze zitting is het volgende over de eigen waarneming van de rechters opgenomen:
“De voorzitter merkt op:
... Nu zit de deur [ACB: autoportier] kennelijk dicht, maar ik zag net niet dat hij open stond. Dat was niet waarneembaar. Ik zie ook niemand in de auto zitten. Dan lopen we verder. Ik zie geen verschil tussen een open en dichte deur. En ik zie nog steeds niemand in de auto zitten.
De oudste rechter merkt op:
Wel als hij beweegt, dan zie ik wat, maar ik kan niet onderscheiden of het een man of een vrouw betreft.
De voorzitter merkt op:
Als we iets zien bewegen, zien we dat het een persoon moet zijn. Haarkleur of dergelijke is niet te onderscheiden. Ik zag geen verschil tussen deur open en dicht. ... Je kunt onmogelijk een haarkleur onderscheiden. Met een beetje moeite als iemand beweegt, kan ik zien dat er iemand inzit, maar het zou net zo goed een hoofdsteun kunnen zijn.
De voorzitter merkt op:
Ik heb het net wel gezegd. Ik zie als iemand beweegt dat het een persoon is. Maar als ik nu kijk, zou het net zo goed een hoofdsteun kunnen zijn die ik zie.”
De verdediging is op basis van deze eigen waarneming van de rechters van oordeel dat de verklaring van [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] voor het bewijs buiten beschouwing dienen te blijven. Niet uitgesloten kan worden dat hun waarneming achteraf is ingekleurd door de informatie die zij via de media over de tragische gebeurtenis hebben meegekregen, of de omstandigheid dat op die locatie vaker vrijende stelletjes in auto’s zitten.
Indien Uw Hof van oordeel is dat de verklaring van een van meer van de getuigen [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] bruikbaar is voor het bewijs, verzoekt de verdediging -bij wijze van voorwaardelijk verzoek- [getuige 6] en [getuige 7] als getuige te horen, en voorts verzoekt de verdediging Uw Hof een schouw te bepalen waarbij de leden van uw Hof net als de rechtbank een eigen waarneming kunnen hebben van de mogelijkheden tot het waarnemen van hetgeen in de getuigenverklaringen is gerelateerd.
De AG heeft in het requisitoir uiteengezet waarom zij de verklaring van cliënt dat hij met [slachtoffer] een wandeling van enige tijd heeft gemaakt in het bos niet aannemelijk acht. De AG stelt vast dat cliënt met mevrouw kort voor 20:15 uur het bos zou zijn ingelopen.
Naar de mening van de verdediging is de verklaring van cliënt wel degelijk aannemelijk.
De AG benoemd in dit verband de verklaring van [getuige 8] . Die verklaring maakt de verklaring van cliënt niet minder aannemelijk. De vraag is wel hoe getuige Weeda heeft kunnen waarnemen dat de inzittenden van de auto niet met elkaar spraken, op het moment dat hij met de racefiets langsrijdt. Je moet hiervoor toch op z’n minst de beide inzittenden van de auto gedurende enige tijd in het gezicht kunnen aankijken.
De AG stelt in het requisitoir dat meerdere getuigen mensen of een persoon in de auto hebben zien zitten. De bevindingen van de rechtbank tijdens de schouw overtuigen de AG niet. Het naar binnenkijken in de auto zou wel goed mogelijk zijn geweest. De verdediging acht dit pure speculatie. Anders de AG veronderstelt heeft de rechtbank tijdens de schouw van drie locaties op de dijk de waarnemingen gedaan. Hiervan zijn ook foto’s gemaakt die aan het dossier zijn toegevoegd. De waarnemingen tijdens de schouw zijn door de officier van justitie die aanwezig was ook niet betwist. Tijdens de waarneming op 7 september 2010 tussen 16:00 uur -16:30 uur was het zicht helder, aldus de voorzitter van de strafkamer. “Dit is de optimale situatie van observeren”.
De AG stelt dat door het afwijkend tijdstip zeker niet uitgesloten kan worden dat door een andere stand van de zon en andere lichtinval de waarneming niet zo maar vergelijkbaar is. Ook dit is zonder enige objectieve onderbouwing een slag in de lucht. Daar komt bij dat de waarnemingen vanaf de dijk ZW-NO of WO zijn geweest, en dus tegen de stand van de zon in. Het is voor de hand liggend dat de getuigen juist minder, in plaats meer hebben kunnen waarnemen dan tijdens de schouw op 7 september 2010.
“Er is één getuige die hen waarschijnlijk gezien heeft toen ze net het bos in wandelden ”, aldus de AG. Deze passage correspondeert niet met de verklaring van de getuige in kwestie, [getuige 9] : “Ze liepen allebei langzaam en naast elkaar
in de richting van de parkeerplaats.” Deze verklaring is dus juist een bevestiging van de verklaring van cliënt dat hij een langere wandeling in het bos heeft gemaakt.
Tenslotte benoemt de AG in dit verband nog de handtas van [slachtoffer] . Die laat je niet onbeheerd achter in de auto, als je een lange wandeling gaat maken. De verdediging is van oordeel dat hieraan geen conclusies kunnen worden verbonden, al helemaal niet omdat niet bekend is of de tas open en bloot voorin heeft gestaan. In ieder geval de schoondochter, [betrokkene 6] is in de auto geweest en heeft mogelijk ook in de tas van [slachtoffer] gezeten op zoek naar een zakdoek of water. Die tas kan heel goed onder de stoel of anderszins verdekt in de auto hebben gelegen. Uiteindelijk heeft zij handdoeken gepakt uit de kofferbak, en een flesje water voorin tussen de stoelen. Ook is niet bekend of de destijds minderjarige getuige [getuige 3] nog voor in de auto heeft gezocht naar een telefoon of anderen op enig moment in die tas hebben gekeken of gezeten.”
6.3.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2015 houdt, voor zover van belang, als dupliek van de raadsman het volgende in:
“Wat betreft het voorwaardelijk verzoek om een schouw te verrichten. De advocaat-generaal stelt dat dit verzoek tardief is gedaan. Voor alle duidelijkheid: de verdediging zit niet te wachten op een schouw. Dit zou leiden tot nog meer tijdsverloop, zeker als tot 11 augustus dient te worden gewacht. Maar aan de andere kant zijn in eerste aanleg de bevindingen van de rechtbank, gedaan tijdens de door hen verrichte schouw,, op geen enkel moment onderwerp van discussie geweest. Ook niet voor de officier van justitie, die er op basis van de bevindingen tijdens de schouw van uit is gegaan dat waarnemingen van getuigen van personen die op de parkeerplaats in een auto zouden zitten, niet kunnen kloppen. Het requisitoir wijkt op dit punt af van het standpunt van de officier van justitie en de rechtbank, nu de advocaat-generaal een zodanige betekenis toekent aan de verklaringen van die getuigen en de. bevindingen van de rechtbank tijdens de schouw in twijfel trekt. Dit is een nieuw gegeven en in zoverre heeft de verdediging dit voorwaardelijk verzoek niet in een eerder stadium kunnen doen.
In het kader van de vaststellingen van de rechtbank tijdens de schouw heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat het een feit van algemene bekendheid is dat de lichtinval tijdens de schouw zal hebben verschild van die ten tijde van het ten laste gelegde. Daar ben ik het niet mee eens. Het had op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om op dat punt informatie aan te leveren waar dit daadwerkelijk uit volgt. Ook ik heb gezegd dat het zicht van de getuigen toen mogelijk was beperkt omdat zij tegen het licht moesten inkijken. Deze stelling heb ik verder niet onderbouwd. Maar de advocaat-generaal doet dat ook niet. Beide stellingen zijn niet objectief. Wel objectief is de schouw van de rechtbank waaruit volgt dat de getuigen een en ander op de parkeerplaats niet goed hebben kunnen waarnemen.”
6.4.
Het hof heeft het gevoerde verweer en de daaraan gekoppelde voorwaardelijke verzoeken in zijn arrest als volgt samengevat en afgewezen [5] :

Betrouwbaarheid van getuigenverklaringen
De verdediging heeft zich - overeenkomstig de ter terechtzitting van 23 januari 2015 overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota - op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de getuigen [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Op basis van de door de rechtbank op 7 september 2010 uitgevoerde schouw, waarbij aandacht is besteed aan hetgeen voornoemde getuigen blijkens hun verklaring hebben waargenomen, kan niet worden uitgesloten dat de verklaringen van de getuigen zijn gekleurd door hetgeen zij achteraf via de media hebben vernomen omtrent het ten laste gelegde dan wel de omstandigheid dat op de betreffende locatie vaker auto's geparkeerd staan met daarin vrijende stelletjes.
Voor zover het hof van oordeel is dat voornoemde getuigenverklaringen wel tot het bewijs kunnen dienen, heeft de raadsman verzocht om de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] nader te doen horen, alsmede om een schouw te bepalen waarbij het hof zelf kan waarnemen of de getuigen hetgeen zij hebben verklaard ook daadwerkelijk hebben kunnen zien.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Uit de door de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] bij de politie en tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaringen volgt dat, toen zij op 11 augustus 2009 omstreeks 19:45-20:00 uur op de fiets via Zuidland reden in de richting van Simonshaven, op een parkeerplaats een (oude) zwarte Mercedes hebben zien staan. [getuige 4] heeft toen een blond persoon op de achterbank achter de bestuurdersstoel zien zitten.
De getuige [getuige 7] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 11 augustus 2009 om 20:00 uur langs de woning van zijn zoon aan de Schuddebeursdijk te Spijkenisse reed toen hij op de aldaar gelegen parkeerplaats een Mercedes zag staan. Op de achterbank zaten twee personen, waarvan de getuige dacht dat zij de liefde aan het bedrijven waren. De achterdeur aan de bestuurderskant stond open.
De getuige [getuige 6] heeft verklaard dat toen hij op 11 augustus 2009 omstreeks 19:30 op zijn tractor reed vanaf zijn woning aan de Schuddebeursedijk te Spijkenisse richting de Bernisse Spuidijk, op de aldaar gelegen parkeerplaats een Mercedes heeft zien staan. Op de achterbank heeft hij een blonde vrouw zien zitten met aan weerszijden van haar twee handen. [getuige 6] ging ervan uit dat de handen toebehoorde aan een man die met de vrouw de liefde aan het bedrijven was. Ook stond de deur aan de bestuurderszijde open.
Dat de rechtbank tijdens de schouw, die op 7 september 2010 te 16:00 uur heeft plaatsgevonden, heeft geconcludeerd dat vanaf de openbare weg rondom en voor de inrit naar de parkeerplaats gelegen aan de Bernisse Spijdijk niet is te zien of zich een persoon in de auto bevindt dan wel dat de deur van de auto openstaat en dat slechts waarneembaar is dat een persoon zich in de auto beweegt, doet aan voormelde verklaringen niets af. Daarbij acht het hof van belang dat de getuigen [getuige 7] en [getuige 6] een en ander mogelijk vanaf een andere positie hebben waargenomen dan die door de rechtbank is ingenomen, namelijk vanaf de Schuddebeursedijk gaande in de richting van Bernisse Spuidijk. Ook het tijdstip (en naar mag worden aangenomen: daarmee ook de licht- en schaduwcondities) waarop de rechtbank haar waarnemingen heeft gedaan, verschilt in belangrijke mate van het tijdstip waarop de getuigen hun waarnemingen hebben gedaan.
Het hof neemt voorts in aanmerking dat de getuigen kort nadat het feit was begaan verklaringen hebben afgelegd die niet in essentie verschillen van hetgeen zij jaren later ten overstaan van de raadsheer-commissaris hebben verklaard en dat in hun verklaringen uiteenlopende details voorkomen.
Het hof constateert voorts dat de getuigenverklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] steun vinden in die van [getuige 7] en [getuige 6] .
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat hetgeen de rechtbank tijdens de schouw heeft geconstateerd niet in de weg staat aan het aannemen van de betrouwbaarheid van hetgeen door de getuigen [getuige 5] , [getuige 4] , [getuige 6] en [getuige 7] is verklaard. Het hof is derhalve van oordeel dat voornoemde getuigenverklaringen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en derhalve voor het bewijs kunnen worden gebezigd.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht het hof het niet noodzakelijk om de getuigen [getuige 7] en [getuige 6] nader te horen. Nu ook overigens de noodzaak daartoe niet is gebleken, wijst het hof af het voorwaardelijk verzoek van de raadsman om deze getuigen te horen. Om dezelfde redenen acht het hof het niet noodzakelijk om een schouw te bepalen.”
6.5.
Het arrest van het hof houdt voorts, onder het kopje ‘Bewijsoverweging’, voor zover van belang, het volgende in:
“Uit meerdere verklaringen blijkt dat de verdachte en het slachtoffer in een donkergekleurde Mercedes naar de parkeerplaats zijn gereden. De getuige Weeda heeft verklaard dat hij op 11 augustus omstreeks 18.50 uur een donkerblauwe auto, met daarin een oudere man en een vrouw welke voldoet aan het signalement van het slachtoffer [slachtoffer] , zag stoppen op de parkeerplaats. De getuige [getuige 10] heeft verklaard dat hij diezelfde dag tussen 18.50 en 19.00 uur een donkerkleurige Mercedes op de parkeerplaats zag staan. Het hof gaat er op basis van deze verklaringen vanuit dat de verdachte en het slachtoffer reeds vóór 19.00 uur op de parkeerplaats zijn aangekomen. De wandeling waarover door de verdachte is verklaard zou derhalve ook omstreeks dat tijdstip moeten zijn aangevangen.
Meerdere getuigen hebben echter ook ruimschoots na dat tijdstip nog activiteiten waargenomen in de auto van de verdachte op de parkeerplaats. Zo hebben de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] verklaard dat zij tussen 19:30 uur respectievelijk 20:00 uur een donkerkleurige Mercedes op de parkeerplaats hebben zien staan met de achterdeur aan de bestuurderskant geopend. Op de achterbank hebben zij twee personen zien zitten. Ook de getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij tussen 20:00 uur en 20:15 uur een zwarte Mercedes op de parkeerplaats heeft zien staan. Op de achterbank zat een persoon met een blond hoofd die niet bewoog.
Het hof leidt uit voormelde getuigenverklaringen af dat de verdachte en het slachtoffer (mogelijk: weer) in de Mercedes aanwezig zijn geweest op een moment waarop zij volgens de verklaring van de verdachte aan het wandelen en/of op de terugweg naar de parkeerplaats waren. De verdachte heeft hieromtrent echter geen vragen willen beantwoorden of verklaringen willen afleggen.”
6.6.
Voor zover het middel ervan uitgaat dat de voorwaardelijk gedane verzoeken ook het horen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] omvatten, mist het feitelijke grondslag. Ik citeer nogmaals de desbetreffende passage uit de pleitnotities: “Indien Uw Hof van oordeel is dat de verklaring van een van meer van de getuigen [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] bruikbaar is voor het bewijs, verzoekt de verdediging -bij wijze van voorwaardelijk verzoek- [getuige 6] en [getuige 7] als getuige te horen”. Hieruit blijkt dat alleen om het horen van de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] is verzocht.
6.7.
Nu het hof heeft geoordeeld dat de verklaring van zowel [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] als [getuige 7] betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebezigd en zich daadwerkelijk in zijn bewijsoverweging op de verklaringen van [getuige 4] , [getuige 6] en [getuige 7] heeft beroepen, is de door de verdediging aan het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 7] en [getuige 6] en aan het verzoek tot het houden van een schouw gestelde voorwaarde vervuld.
6.8.
De verdediging is op basis van de eigen waarneming van de rechters in eerste aanleg tijdens de op 7 september 2010 tussen 16:00 en 16:30 uur uitgevoerde schouw – erop neerkomend dat zij (met helder zicht en, in de woorden van de voorzitter van de strafkamer een “optimale situatie van observeren”) niet goed kunnen waarnemen of er een persoon in de auto zit en of het portier van de auto open dan wel dicht is - van oordeel dat de verklaringen van [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] voor het bewijs buiten beschouwing dienen te blijven. Gelet daarop heeft de verdediging verzocht [getuige 6] en [getuige 7] als getuigen te horen en een schouw te bepalen. Het hof heeft deze verzoeken afgewezen door te overwegen dat hetgeen de rechtbank tijdens de schouw heeft geconstateerd niet in de weg staat aan het aannemen van de betrouwbaarheid van hetgeen door de getuigen [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] en [getuige 7] is verklaard. Daarbij heeft het hof – kort gezegd -in aanmerking genomen dat de getuigen [getuige 6] en [getuige 7] een en ander mogelijk vanaf een andere positie hebben waargenomen dan die door de rechtbank is ingenomen en ook het tijdstip en daarmee waarschijnlijk ook de licht- en schaduwcondities van de gehouden schouw verschilt van die waarop respectievelijk waarin de getuigen hun waarnemingen hebben gedaan, de door de getuigen vlak na het feit afgelegde verklaringen niet in essentie verschillen van hun jaren nadien afgelegde verklaringen en de verklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] steun vinden in die van [getuige 7] en [getuige 6] . Het hof acht gelet daarop zowel het horen van [getuige 7] en [getuige 6] als het bepalen van een schouw niet noodzakelijk.
6.9.
Het middel klaagt niet, althans niet direct, over het oordeel van het hof dat de verklaringen van de vier getuigen, in weerwil van hetgeen de rechtbank tijdens een door haar gehouden schouw waarnam, betrouwbaar zijn. Het hof heeft daartoe verschillende argumenten aangedragen, die op zich niet worden bestreden. De strekking van het middel is naar het mij voorkomt dat het hof niet tot dit betrouwbaarheidsoordeel had mogen geraken zonder eerst de getuigen [getuige 7] en [getuige 6] te horen en zonder eerst zelf de situatie ter plaatse te schouwen. Bij de afwijzing van de beide daartoe strekkende verzoeken heeft het hof het juiste criterium toegepast. Die afwijzing is voorts niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd gelet op hetgeen ten grondslag is gelegd aan die verzoeken enerzijds en hetgeen het hof ter verwerping daartoe heeft overwogen anderzijds. [6] Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het jaren na dato nogmaals horen van de genoemde getuigen aan de bewijsrechtelijke stand van zaken weinig zou kunnen toevoegen en dat hetzelfde geldt voor een herhaalde schouw vanwege de onvermijdelijke verschillen in licht- en schaduwcondities. Anders dan de steller van het middel meent, ‘poetst’ het hof de door de rechtbank expliciet gedane waarnemingen, zonder deze te toetsen, mijns inziens dan ook niet ‘laakbaar’ weg.
6.10.
Ik merk ten slotte op dat het oordeel van het hof met betrekking tot de ongeloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte bepaald niet alleen op de verklaringen van de bedoelde getuigen steunt zodat het gebruik van die verklaringen slechts een kleine schakel is in de gehele bewijsconstructie. [7] Dat draagt bij aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat het niet noodzakelijk is om aan de verzoeken te voldoen. Tevens brengt dit mee dat een eventueel motiveringsgebrek aan de begrijpelijkheid van de bewijsmotivering in haar geheel niet snel afbreuk zal doen.
6.11.
Het middel faalt.

7.Het vierde middel

7.1.
Het middel klaagt mede gelet op de toelichting dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel onvoldoende met redenen zijn omkleed voor zover het hof de gevorderde immateriële schade, bestaande uit zogenaamde shockschade, heeft toegewezen.
7.2.
De benadeelde partij [betrokkene 1] , zijnde de zoon van het slachtoffer en tevens de zoon van de verdachte, heeft zich in eerste aanleg gevoegd in het strafgeding voor onder meer shockschade (immateriële schade). De rechtbank heeft die vordering niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de rechtbank niet de beschikking heeft over een medische rapportage aan de hand waarvan zij kan beoordelen in hoeverre er sprake is van shockschade en dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces vormt en slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2015 heeft de benadeelde partij te kennen gegeven geen behoefte te hebben om de door hem ingediende vordering tot schadevergoeding nader toe te lichten. Namens de verdachte is de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van de shockschade betwist.
7.3.
Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een voegingsformulier van de benadeelde partij [betrokkene 1] . Op dit voegingsformulier wordt voor de gevorderde immateriële schadepost van € 10.000,- verwezen naar een aangehecht schade-onderbouwingsformulier. Dit formulier houdt, voor zover van belang, in:

Immateriële schade
Fysiek letsel
n.v.t.
Psychisch gevolg
De confrontatie die benadeelde vlak na het delict heeft gehad met het levenloze lichaam van zijn moeder, hebben geleid tot ernstige psychische gevolgen. Bij benadeelde is onder andere een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis vastgesteld.
Benadeelde is van augustus 2009 tot en met december 2010 onder behandeling geweest voor psychotraumatische klachten bij PsyQ. Benadeelde is hier voor korte tijd ook opgenomen geweest nadat hij een zelfmoordpoging had ondernomen. Benadeelde heeft EMDR-sessies en rouwverwerkingsessies gevolgd teneinde de PTSS-klachten te verminderen. De klachten bestaan onder meer uit slapeloosheid, flashbacks, concentratieproblemen, gevoelens van onmacht, wanhoop, depressie en ook fysieke klachten als spierpijn. Om de klachten te onderdrukken gebruikt benadeelde medicatie.
Vanwege opleving van spanningen is benadeelde in juni 2012 opnieuw doorverwezen naar PsyQ voor professionele hulp.
(zie bijlage 6 voor medisch rapport en bijlage 7 voor informatie PsyQ).
Jurisprudentie / vergelijkbare uitspraken
Hierbij wordt verwezen naar ANSW Smartengeldgids 2009 nummer 294
(zie bijlage 8 voor uitspraak)
De smartengeldvergoeding van de Rechtbank Den Bosch van 8 maart 2006, rolnummer 02/1377 bedraagt, geïndexeerd naar de normen van het jaar waarin het delict is gepleegd, te weten 2009, € 10.700,00.
Bovenstaande zaak vertoont veel overeenkomsten met de situatie van benadeelde. Ook benadeelde heeft een direct familielid stervend aangetroffen en heeft ten gevolge hiervan last van een posttraumatische stressstoornis. Een andere overeenkomst is de voortdurende confrontatie met de zaak.
Dit leidt tot de conclusie dat de immateriële schade van benadeelde gezien de omstandigheden, de ernst en de fysieke en psychische gevolgen in redelijkheid is te stellen op ten minste € 10.000,00 en thans opeisbaar is.”
Het schade-onderbouwingsformulier verwijst voor de daarin aangehaalde uitspraak van de rechtbank Den Bosch naar de ANSW Smartengeldgids 2009, nummer 294, opgenomen als bijlage 8. Die bijlage (abusievelijk met pen genummerd als bijlage 7) houdt met betrekking tot deze uitspraak het volgende in:
“Vrouw. Shockschade. Bij thuiskomst heeft zij een hevige emotionele schok gekregen toen zij haar echtgenoot stervend en buiten bewustzijn, ten gevolge van een zware mishandeling, aantrof. Zij lijdt sindsdien aan een posttraumatische stressstoornis, waarvoor zij zich onder psychiatrische behandeling moest stellen. Voorts is er sprake van een verstoorde rouwverwerking, mede door het feit dat zij voortdurend wordt geconfronteerd met de dader en de al lang lopende procedures.”
Op het schade-onderbouwingsformulier wordt voor de gevorderde immateriële schade voorts verwezen naar een als bijlage 6 opgenomen ‘medisch rapport’, dat in feite een (kopie van een) door de huisarts van de benadeelde partij ([betrokkene 3] ) ‘uitgedraaid’ en ondertekend chronologisch overzicht is van de consulten die in de periode van 12-08-2009 t/m 29-08-2012 hebben plaatsgevonden met aantekening van de klachten, medicatie en interventies. Daarnaast verwijst het formulier naar bijlage 7 voor ‘informatie PsyQ’. Het gaat bij die informatie om een aantal kopieën van correspondentie gericht aan de voormelde huisarts. Deze zijn kennelijk uitgedraaid uit de computer van de huisarts van de benadeelde partij. Zij zijn niet ondertekend door de afzenders, hetgeen vermoedelijk kan worden toegeschreven aan de elektronische verzending ervan. De in de tekst voorkomende onderstrepingen lijken daarop met pen te zijn aangebracht. Het betreft allereerst een kopie-brief van [betrokkene 5] , sociaal psychiatrisch verpleegkundige van 31 december 2010. Deze brief houdt, voor zover van belang, in:
“Correspondent: St Fransiscus Gasthuis, [betrokkene 7]
(…)
Zorgbedrijf PsyQafd./programma Psychotrauma Spijkenisse
(…)
Geachte [betrokkene 3] ,
Van 13-08-2009 tot en met 30-12-2010 is uw patiënt(e) bij onze zorginstelling in behandeling geweest.
Gegevens met betrekking tot de behandeling:
Aanmeldreden:
Patiënt meld zich met de volgende klachten: flashbacks, erg onrustig voelen, spierpijn, piekeren, zweten, slecht slapen, concentratieklachten, schuldgevoelens, onmachtig, wanhopig. Patiënt laat weten dat zijn moeder is vermoord en dat hij haar heeft gevonden.
Beschrijvende diagnose:
Een 30-jarige man die door het vinden van zijn moeder heel zijn wereld onder zijn voeten uit voelt vallen. Forse stress klachten, lichamelijk en mentaal.
Diagnose volgens de DSM IV bij ontslag
AS I: 309.81 Posttraumatische stress-stoornis
AS II: 301.9 Persoonlijkheidsstoornis NAO, trekken van
AS III: geen diagnose
AS IV: 97 geen problemen
GAF-score einde inschrijving: 70.
Samenvatting van de behandeling:
Na periode van stabilisatie, waarin Interventies uit de CGT en
rouwverwerkingzijn gebruikt, is patiënt een
aantal sessies EMDRgaan doen. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in afname van de PTSS-klachten. Binnen het gezin heeft patiënt ook een andere positie ingenomen wat de relatie met partner en kinderen ten goede komt.
Reden van afsluiting:
Klachten vermindering na stabilisatie en EMDR sessies. Helaas heeft patiënt niet meer gereageerd op het verzoek nieuwe afspraak te maken om behandeling goed af te sluiten.
Vervolgbeleid:
Geen.
Medicatie bij ontslag:
PsyQ heeft geen medicatie voorgeschreven.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 5]
Sociaal psychiatrisch verpleegkundige”
Op het voegingsformulier wordt voor de gevorderde immateriële schade voorts verwezen naar een kopie-brief van [betrokkene 2] van 27 augustus 2010. Deze brief houdt, voor zover van belang, in:
“Zorgbedrijf afd./programma Crisiscentrum Rotterdam
(…)
Geachte [betrokkene 3] ,
Uw patiënt [betrokkene 1] ,
opgenomen op 22-08-2010op advies van [betrokkene 4] , psychiater Ruwaard van Puttenziekenhuis, werd op 26-08-2010 ontslagen uit de kliniek.
Opnamereden: Dhr. heeft in een black-out TS gedaan met medicatie door aan PTSS gerelateerde klachten.
Ontslagreden: Crisis gecoupeerd. Dhr is terugverwezen naar bestaande hulpverlening bij PsyQ.
Diagnose volgens DSM IV classificatie
AS I: 311 Depressieve stoornis NAO
309.91 Posttraumatische stress-stoornis
Verblijfplaats na ontslag: Huisadres.
Crisismedicatie: Geen.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 2] ”
Op het voegingsformulier wordt voor de gevorderde immateriële schade ten slotte verwezen naar een kopie-brief van 31 augustus 2009, afkomstig van PsyQ. Deze brief houdt, voor zover van belang, in:
“Aanmeldreden:
Pt meldt zich met de volgende klachten. Flashbacks, erg onrustig voelen, spierpijn, piekeren, zweten, slecht slapen, concentratieklachten, schuldgevoelens, onmachtig, wanhopig. Pt laat weten dat zijn moeder dinsdagavond 11-08-09 is vermoord in een recreatiegebied en dat hij haar heeft gevonden. Pt heeft sterk de behoefte om over het gebeuren en zijn gevoelens te praten.
Beschrijvende diagnose:
30-jarige man die door het vinden van zijn moeder heel zijn wereld onder zijn voeten uit voelt vallen.
Forse stress klachten, lichamelijk en mentaal.
Wij hebben een voorlopige diagnose volgens de DSM IV vastgesteld:
AS I: 308.3 – Acute stress-stoornis Hoofd diagnose
As II 799.9 – Diagnose op AS II uitgesteld
AS III: v71.09
AS IV: 10 Problemen binnen de primaire steungroep
GAF-score (huidig): 45
Ons behandelbeleid is:
Stabiliseren en psycho-educatie geven.
Eventueel voorgeschreven medicatie:
Door u voorgeschreven medicatie niet veranderd. Momenteel is deze medicatie toereikend.
Aandachtspunten voor de verwijzer:
Eventueel andere gezinsleden ondersteunen in hun rouw.
Uw patiënt is aangemeld voor behandeling bij:
Psycho-trauma.
De gemiddelde wachttijd voor deze behandeling bedraagt:
Behandeling gelijk gestart.”
7.4.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2015 heeft de raadsman aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover van belang [8] , in:
“Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding het volgende. [betrokkene 1] vordert € 10.000,- in verband met gestelde shockschade.
De verdediging verzoekt uw Hof de vordering voor wat betreft dit onderdeel niet-ontvankelijk te verklaren, nu behandeling van de vordering een onevenredige belasting zou opleveren voor het strafgeding. Hiertoe merkt de verdediging het volgende op.
Shockschade is in het civiele recht onder strikte voorwaarden toewijsbaar, maar zal gelet op de moeizame bewijsbaarheid in het strafproces niet voor toewijzing in aanmerking komen. De Hoge Raad heeft herhaaldelijk, formulerend in het licht van artikel 361 Sv Pro (oud), overwogen dat, gelet op de in eerdere arresten geformuleerde vereisten, een dergelijke vordering op voorhand niet-ontvankelijk is omdat deze niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Ook toetsend aan het nieuwe criterium van artikel 361 Sv Pro zal de conclusie niet anders zijn. Daarbij betrekt de verdediging dat de informatie die is aangeleverd door de huisarts redelijk summier is en daaruit geen causaal verband tussen de traumatische gebeurtenis en het geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat zij niet de beschikking heeft gehad over een medische rapportage aan de hand waarvan beoordeeld kan worden in hoeverre er sprake is van shockschade.
Recent liet de Hoge Raad een oordeel van het Hof tot niet-ontvankelijkverklaring in stand. De Hoge Raad overwoog:
“Het Hof heeft de niet-ontvankelijkverklaring gegrond op zijn oordeel dat de behandeling van de desbetreffende vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Daarbij heeft het Hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de rechtsvraag of de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door de benadeelde partij geleden immateriële schade niet eenvoudig te beoordelen valt. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd, is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (vgl. HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 en HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583, NJ 2010/387).”
In de appelmemorie heeft de officier van justitie aangegeven dat de rechtbank ten onrechte een medische rapportage zou eisen om vast te stellen dat sprake is van shockschade. In de visie van de officier van justitie is in casu evident sprake van shockschade.
In de casus die leidde tot de uitspraak van de Hoge Raad van 19 april 2011 was echter - anders dan de officier van justitie kennelijk veronderstelt- op basis van medische informatie een psychiatrisch erkend ziektebeeld vastgesteld.
De verdediging verzoekt u derhalve de vordering voor wat betreft dit onderdeel niet-ontvankelijk te verklaren.”
7.5.
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen. Het bestreden arrest houdt hieromtrent het volgende in:

Vordering tot schadevergoeding benadeelde partij [betrokkene 1] .
In het onderhavige strafproces heeft [betrokkene 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 17.380,42, bestaande uit € 10.000,- aan immateriële schade, zijnde shockschade, en € 7.380,42,- aan materiële schade.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 17.380,42,-, te vermeerderen met wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 7.380,42,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist, met dien verstande dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.
(…)
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade tot een bedrag van € 10.000,-, bestaande uit shockschade, overweegt het hof als volgt.
Het hof stelt voorop dat het toewijzen van een vergoeding voor de immateriële schade zoals deze is gevorderd, is vereist dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft geleden ten gevolge van een emotionele schok welke rechtstreeks het gevolg is geweest van het bewezen verklaarde. Daarnaast dient het bestaan van geestelijk letsel waardoor de benadeelde partij in zijn persoon is aangetast in rechte te worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Gebleken is dat de benadeelde partij, zijnde de zoon van de verdachte en het slachtoffer, naar de plaats delict is gekomen nadat zijn echtgenote door de verdachte was gewaarschuwd. Hij is vervolgens onverhoeds met het toen reeds overleden slachtoffer geconfronteerd. Het slachtoffer had ernstig gezichts- en schedelletsel en lag in een grote plas bloed. Blijkens de toelichting op de gevorderde immateriële schade en de bijgevoegde stukken heeft deze confrontatie geleid tot ernstige psychische gevolgen bij de benadeelde partij, in de vorm van een medisch vastgesteld psychiatrisch ziektebeeld te weten een posttraumatische stressstoornis. Voorts blijkt daaruit dat benadeelde partij in relatie tot voormeld ziektebeeld, gedurende ruim één jaar een behandeling heeft moeten ondergaan, waarvan vanwege een suïcidepoging ook een deel intramuraal heeft plaatsgevonden. Voorts is gebleken dat de benadeelde partij voorafgaand aan de confrontatie met zijn overleden moeder geen enkele psychische klacht had en niet gebleken is van een andere oorzaak van de psychische gevolgen, zodat de psychische gevolgen van de benadeelde partij geheel kunnen worden geacht te zijn veroorzaakt door de emotionele schok van deze confrontatie.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de gevorderde immateriële schade geheel toewijsbaar is. Derhalve zal het hof de vordering toewijzen.
Het bovenstaande brengt met zich mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [betrokkene 1]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 17.248,10 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 1] .”
7.6.
Voor vergoeding van immateriële schade als hier gevorderd - zogenoemde shockschade - is gelet op het arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356, NJ 2002/240 vereist dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De strafkamer van de Hoge Raad heeft zich daarbij aangesloten. [9]
7.7.
De vraag is daarbij wel of een vordering tot vergoeding van shockschade zich leent voor behandeling in het strafgeding. De Hoge Raad heeft meermalen in cassatie de benadeelde partij in een dergelijke vordering om doelmatigheidsredenen niet-ontvankelijk verklaard, “omdat reeds thans vaststaat dat de vordering van de benadeelde partij ter zake van shockschade niet-ontvankelijk moet worden verklaard op de grond dat een dergelijke vordering niet zo eenvoudig van aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding [10] , dan wel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert [11] ". Hoewel de gebezigde formulering algemeen klinkt (een “dergelijke vordering” leent zich niet voor behandeling in het strafgeding), meen ik dat daaruit niet kan worden afgeleid dat er in het strafproces in het geheel geen ruimte is voor toewijzing van een vordering ter zake van shockschade in een strafzaak. In de bedoelde arresten klaagde het middel volgens de kernachtige samenvatting die de Hoge Raad daarvan gaf, over de toekenning van de vordering. De Hoge Raad beoordeelde eerst of die toekenning toereikend was gemotiveerd. Dat was niet nodig geweest als de Hoge Raad de opvatting is toegedaan dat voor die toekenning sowieso geen plaats is in het strafgeding. Dan volgt daaruit al dat de vordering ten onrechte is toegewezen. De doelmatigheidsafdoening volgde pas nadat was geoordeeld dat de toekenning een deugdelijke onderbouwing miste. De overweging dat “een dergelijke vordering” zich niet voor behandeling door de strafrechter leent, moet denk ik in het licht van dat oordeel gelezen worden. Steun voor die duiding kan gevonden worden in HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2858, NJ 2016/70. De Hoge Raad overwoog daarin dat “mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte is aangevoerd met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van shockschade, moet worden aangenomen dat reeds thans vaststaat dat de benadeelde partij in deze vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard op de grond dat een dergelijke vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.” Hier is overduidelijk sprake van een casus gebonden oordeel. Gewezen kan ook worden op HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:528, NJ 2014/183. In dit arrest had het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering wegens shockschade. De Hoge Raad oordeelde dat die beslissing niet onbegrijpelijk was. Dat impliceert dat zij ook onbegrijpelijk had kunnen zijn.
7.8.
Het voorgaande neemt niet weg dat de ruimte om in het strafproces een vordering wegens shockschade toe te kennen, klein is. Ik wijs in dit verband op hetgeen waarnemend A-G Bleichrodt schreef in punt 5.16 zijn conclusie van 15 mei 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA5624. Diens analyse van de jurisprudentie van de Hoge Raad lijkt mij, ook na het op 1 januari 2011 in werking getreden nieuwe criterium uit art. 361 lid 3 Sv Pro, nog steeds actueel te zijn:
“De lijn van de Hoge Raad komt er mijns inziens praktisch gezien op neer dat naar zijn oordeel ofwel een vordering tot vergoeding van shockschade zich in het algemeen niet leent voor behandeling in de strafprocedure - en in dat geval is er wat voor te zeggen om dat uitdrukkelijk te overwegen - of dat een zodanige vordering in feite alleen dan kan worden behandeld en voor toewijzing vatbaar is indien zij niet wordt betwist dan wel indien rechtstreeks uit een schriftelijke verklaring van een deskundige (een psychiater of psycholoog) kan worden afgeleid dat er sprake is van geestelijk letsel in bovenbedoelde zin.”
Deze passage vormt, gezien de woorden “praktisch gezien”, een vertaling van de jurisprudentie voor de praktijk. In de regel zal het inderdaad zo zijn dat de vordering moet worden afgewezen als zij niet is onderbouwd met een schriftelijke verklaring van een psychiater of psycholoog. Daarmee is niet gezegd dat een dergelijke verklaring een condicio sine qua non is voor toekenning van de vordering. De jurisprudentie van de Hoge Raad sluit niet uit dat er uitzonderingsgevallen zijn waarin op andere wijze kan worden vastgesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Iets anders is dat het bestaan van een dergelijk ziektebeeld in rechte moeilijk als vaststaand kan worden aangenomen als dat ziektebeeld niet is vastgesteld door een ter zake opgeleide deskundige. Van die vaststelling hoeft echter niet per se te blijken uit een door die deskundige opgestelde verklaring.
7.9.
Voor zover ik weet heeft zich tot nu toe geen geval voorgedaan waarin de toekenning van een op shockschade gebaseerde vordering van de benadeelde partij in cassatie heeft stand gehouden. Illustratief is het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5670, NJ 2007/223. Het hof had de vordering van de benadeelde partij kennelijk toegewezen op grond van een verklaring van de huisarts over een bij de benadeelde partij geconstateerde ‘angststoornis’. De steller van het middel betoogde dat het oordeel van het hof ontoereikend was gemotiveerd, nu het hof het ziektebeeld had aangenomen op basis van een verklaring van een niet ter zake kundige (huis-)arts. De Hoge Raad was, anders dan mijn ambtgenoot Machielse, van oordeel dat het middel slaagde omdat het hof onvoldoende blijk had gegeven te hebben onderzocht of was voldaan aan het vereiste dat – kort gezegd – sprake was van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit deze uitspraak volgt niet zonder meer dat een huisarts de benodigde expertise mist om een psychiatrisch ziektebeeld vast te stellen, zodat een vordering wegens shockschade nimmer op grond van de medische verklaring van een huisarts kan worden toegewezen. In de uitspraak kan ook gelezen worden dat het hof had dienen te onderzoeken of de onderhavige angststoornis wel als een psychiatrisch erkend ziektebeeld kon worden geclassificeerd. In de psychiatrie worden, naar ik meen te weten, diverse angststoornissen onderscheiden en niet elke angststoornis levert een zelfstandig ‘psychiatrisch erkend ziektebeeld’ op. In dezelfde lijn ligt het arrest van de Hoge Raad van 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2858, NJ 2016/70, waarin de Hoge Raad oordeelde dat uit een door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige “i.o.” ondertekende en als “mede gezien door” een psychiater ondertekende brief, waarin als diagnose een “rouwreactie” werd aangegeven, niet een in de psychiatrie erkend ziektebeeld kan worden afgeleid.
7.10.
Ik concludeer dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat shockschade niet snel wordt aangenomen, althans dat het oordeel van de feitenrechter dat de vordering van de immateriële schade kan worden toegewezen volgens de Hoge Raad in veel gevallen onvoldoende is gemotiveerd. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de desbetreffende hoven in de meeste gevallen niet eens de maatstaf ‘psychiatrisch erkend ziektebeeld’ hadden toegepast, laat staan dat zij hadden onderbouwd op grond waarvan zij van oordeel waren dat de benadeelde partij een psychiatrisch erkend ziektebeeld had ‘opgelopen’.
7.11.
De onderstaande zaak vormt wellicht de uitzondering op de regel. Blijkens zijn overwegingen heeft het hof geoordeeld dat de confrontatie van de benadeelde partij met het ernstig toegetakelde slachtoffer, zijnde de moeder van de benadeelde partij, heeft geleid tot ernstige psychische gevolgen in de vorm van een medisch vastgesteld psychiatrisch ziektebeeld, te weten een posttraumatische stressstoornis, waarvoor hij ten minste een jaar behandeld is. Aan dat oordeel heeft het hof kennelijk de door de benadeelde partij bij zijn voegingsformulier overgelegde medische rapportage en correspondentie ten grondslag gelegd. Hoewel de desbetreffende brieven niet zijn ondertekend, behoefde het hof aan de authenticiteit daarvan mijns inziens niet te twijfelen, mede in aanmerking genomen dat die door de verdediging niet is betwist. Het hof heeft uit de overgelegde stukken mijns inziens kunnen afleiden dat bij de benadeelde partij een psychiatrisch erkend ziektebeeld – namelijk het posttraumatische stress syndroom - is ontstaan, en eveneens dat dit ziektebeeld is ontstaan als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit. [12] Daaraan doet in dit geval niet af dat van het door het hof als vaststaand aangenomen psychiatrische ziektebeeld niet blijkt uit een schrijven van een psychiater of psycholoog. Uit de wel overgelegde correspondentie kan mijns inziens namelijk wel worden afgeleid dat de daarin vermelde diagnose gedaan is door een psychiater of psycholoog. De intra- en extramurale behandeling die de benadeelde partij heeft ondergaan, is zonder een dergelijke bemoeienis van een psychiater of psycholoog niet goed voorstelbaar. Ik wijs er daarbij op dat de brief van [betrokkene 2] vermeldt dat de benadeelde partij is ontslagen uit de kliniek “op advies van [betrokkene 4] , psychiater Ruwaard van Puttenziekenhuis” en wel omdat de opgetreden crisis “gecoupeerd” was. De toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zijn derhalve voldoende met redenen omkleed.
7.12.
Het middel faalt.

8.Het vijfde middel

8.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering.
8.2.
Namens de verdachte is op 3 maart 2015 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 11 september 2015 bij de Hoge Raad binnengekomen. Uit de door mij bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie opgevraagde registratiekaart van de verdachte blijkt dat hij op 3 maart 2015 voorlopig was gehecht voor de onderhavige zaak. [13] De geldende inzendtermijn van zes maanden is derhalve met acht dagen overschreden.
8.3.
Dit tijdverlies kan niet meer met een voortvarende behandeling in cassatie worden gecompenseerd door de zaak binnen veertien maanden af te doen. Dit dient te leiden tot strafvermindering.
8.4.
Het middel is terecht voorgesteld.
9. De eerste drie middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering. Het vierde middel faalt eveneens. Het vijfde middel is terecht voorgesteld.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De in de pleitnota gebruikte voetnoten laat ik omwille van de leesbaarheid van de conclusie weg.
2.Die benadering getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook buiten het kader van art. 359a Sv is ruimte voor het verbinden van rechtsgevolgen aan vormverzuimen. Zie o.m. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0816, rov. 3.4.2. Als het gaat om vormverzuimen die zijn begaan in het kader van het opsporingsonderzoek in de zaak zie ik geen inhoudelijke reden om art. 359a Sv niet naar analogie toe te passen in gevallen waarin dat opsporingsonderzoek na de formele aanvang van het onderzoek ter zitting is voortgezet. Vgl. o.m. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR0440.
3.Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 23 april 2014.
4.De in de pleitnota gebruikte voetnoten laat ik omwille van de leesbaarheid van de conclusie weg.
5.De door het hof gebruikte voetnoten laat ik omwille van de leesbaarheid van de conclusie weg.
6.Vgl. het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.76.
7.De rechtbank heeft deze getuigenverklaringen in het geheel niet gebruikt en nodig geacht voor het bewijs van de tenlastegelegde doodslag.
8.Omwille van de leesbaarheid van de conclusie heb ik de gebruikte voetnoten weggelaten.
9.Vgl. onder meer HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2858, NJ 2016/70.
10.Vgl. onder meer HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5670, NJ 2007/223, HR 3 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5624, NJ 2007/413 en HR 20 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5435, NJ 2006/38, rov. 4.5.
11.HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2858, NJ 2016/70.
12.Over dit laatste oordeel wordt overigens in cassatie niet geklaagd.
13.Op de cassatie-akte is niet aangegeven dat de verdachte op het moment van instellen van cassatie was gedetineerd.