ECLI:NL:PHR:2007:BB3360
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Grensoverschrijdende toepassing en herziening van ten onrechte gefactureerde omzetbelasting
Deze zaak betreft de vraag of artikel 37 van Pro de Wet op de Omzetbelasting 1968 (Wet OB) en artikel 21, lid 1, letter c, van de Zesde richtlijn van toepassing zijn op diensten die buiten Nederland zijn verricht. Belanghebbende, een standbouwbedrijf, bracht btw in rekening aan de Economische Voorlichtingsdienst (EVD) over diensten die feitelijk in Duitsland en buiten de EU werden verricht. De inspecteur stelde dat deze diensten niet in Nederland belastbaar waren en stelde naheffingsaanslagen op omdat de onjuiste facturering niet was hersteld door uitreiking van een creditfactuur aan de afnemer.
Het Hof oordeelde dat herziening van ten onrechte gefactureerde btw mogelijk is indien het gevaar voor verlies van belastinginkomsten is uitgesloten, ongeacht of de factuur is gecorrigeerd. De Hoge Raad bespreekt de grensoverschrijdende toepassing van artikel 37 Wet Pro OB en de Zesde richtlijn, waarbij het begrip 'binnenlands verkeer' wordt toegelicht als het werkingsgebied van de lidstaat waar de prestatieverrichter is gevestigd of waar de dienst feitelijk wordt verricht.
De conclusie benadrukt dat lidstaten een procedure moeten bieden voor herziening van onterecht gefactureerde btw zonder dat dit afhankelijk mag zijn van discretionaire beoordelingsvrijheid van de belastingadministratie. Tevens wordt gesteld dat de eis van uitreiking van een creditfactuur en terugbetaling aan de afnemer niet noodzakelijk is als het gevaar voor verlies van belastinginkomsten is weggenomen. De Hoge Raad wordt geadviseerd het geding te schorsen en prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te stellen.
Uitkomst: De Hoge Raad overweegt prejudiciële vragen te stellen over de toepassing van artikel 37 Wet OB en herziening van ten onrechte gefactureerde btw bij grensoverschrijdende diensten.