ECLI:NL:PHR:2007:BB5359
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toetsing rechtshulpverzoek tot inbeslagneming en overdracht van bewijsstukken aan Duitse autoriteiten
Deze zaak betreft twee cassatieberoepen tegen beschikkingen van de Rechtbank Groningen inzake het verlenen van verlof tot inbeslagneming en overdracht van bewijsstukken aan Duitse justitiële autoriteiten, op grond van een Duits rechtshulpverzoek. De verzoeker betoogde dat het verlof in strijd was met fundamentele beginselen van het Nederlandse strafprocesrecht en dat zijn rechten onder artikel 6 EVRM Pro zouden worden geschonden.
De Hoge Raad stelt het toetsingskader vast: bij verzoeken op grond van een verdrag dient het verzoek zoveel mogelijk te worden ingewilligd, tenzij er wezenlijke belemmeringen zijn voortvloeiend uit het verdrag, de wet of fundamentele beginselen van het Nederlandse strafprocesrecht. De rechtbank had geoordeeld dat dergelijke belemmeringen niet aanwezig waren en dat het vertrouwensbeginsel in het internationale rechtshulpverkeer geldt.
De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk is. Ook het argument dat de Duitse rechter niet zou toetsen aan de rechtmatigheid van de bewijsstukken na overdracht, leidt niet tot een andere uitkomst. Daarnaast is het bezwaar dat de vriendin van verzoeker niet als belanghebbende was opgeroepen ongegrond, omdat de inbeslaggenomen voorwerpen voornamelijk aan verzoeker toebehoren.
De Hoge Raad verwierp alle middelen en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de verleende verlofbesluiten tot inbeslagneming en overdracht van de stukken aan de Duitse autoriteiten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van het verleende verlof tot inbeslagneming en overdracht van bewijsstukken aan de Duitse autoriteiten.