ECLI:NL:PHR:2007:BB6184
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt matiging loonvordering na vernietiging ontslag op staande voet
De zaak betreft een werknemer die op 7 mei 2002 op staande voet werd ontslagen door zijn werkgever Van Gend & Loos, waarna hij de vernietigbaarheid van het ontslag inroept en loon vordert over de periode tot zijn werkhervatting op 10 januari 2005. De kantonrechter wees de loonvordering integraal toe, maar het hof vernietigde dit en matigde de loonvordering tot 50% van het loon inclusief vakantiebijslag, mede omdat de werknemer gedurende delen van de periode in staat was inkomen te verwerven en onvoldoende had aangetoond zich voldoende te hebben ingespannen om ander werk te vinden.
Het hof gaf de werknemer gelegenheid om bewijsstukken te overleggen over zijn inkomsten en inspanningen, maar vond de bewijsvoering onvoldoende sluitend. De Hoge Raad bevestigt dat het hof de juiste maatstaf hanteerde bij de matiging van de loonvordering op grond van artikel 7:680a BW en dat het hof alle omstandigheden van het geval in onderling verband heeft meegewogen. De klachten van de werknemer over het oordeel van het hof worden verworpen, waaronder dat het hof onvoldoende rekening zou hebben gehouden met alle omstandigheden en dat het bewijs van inkomsten niet volledig was overgelegd.
De Hoge Raad oordeelt dat de matiging van de loonvordering en de wettelijke verhoging terecht is toegepast en dat het beroep van de werknemer moet worden verworpen. Hiermee wordt bevestigd dat bij vernietiging van ontslag op staande voet niet automatisch recht bestaat op volledige loonbetaling zonder matiging, vooral indien de werknemer elders inkomen heeft genoten of had kunnen genieten en onvoldoende inspanningen heeft verricht om vervangend werk te vinden.
Uitkomst: De loonvordering wordt gematigd tot 50% van het loon inclusief vakantiebijslag over de periode van 7 mei 2002 tot 10 januari 2005, vermeerderd met 40% wettelijke verhoging.