ECLI:NL:PHR:2008:BB5248
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid tweede limiet bij verrekening buitenlandse bronheffingen in vennootschapsbelasting
De zaak betreft een geschil over de navorderingsaanslag en verliesvaststellingsbeschikking vennootschapsbelasting 1995 van belanghebbende, die buitenlandse bronbelasting op dividenden en interesten als kosten had behandeld. Het Hof stelde vast dat de navorderingsaanslag ontvankelijk was en oordeelde dat de Nederlandse tweede limiet bij verrekening van buitenlandse bronheffingen, waarbij niet meer buitenlandse dividendbelasting wordt verrekend dan de Nederlandse vennootschapsbelasting die aan het buitenlandse dividend is toe te rekenen, niet in strijd is met het EG-Verdrag.
Belanghebbende voerde in cassatie aan dat dit onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse dividendbelasting een belemmering van het vrije kapitaalverkeer vormt en dat de Nederlandse regeling niet verenigbaar is met het EG-Verdrag, verwijzend naar arresten van het HvJ EG zoals Manninen en Marks & Spencer. De Hoge Raad overwoog dat de zaak Manninen niet van toepassing is omdat daarin geen sprake was van een vrijstelling of verrekeningsbasis zoals in deze zaak.
De Hoge Raad bevestigt dat de Nederlandse regeling voldoet aan de criteria van het HvJ EG-arrest Franked Investment Income en dat de tweede limiet toelaatbaar is binnen intra-EG-verhoudingen en ook in EER- en derdelandenverhoudingen. Ook het incidentele beroep over de ontvankelijkheid van het bezwaar faalt. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de uitspraak van het Hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de tweede limiet bij verrekening van buitenlandse bronbelasting rechtmatig is.