ECLI:NL:PHR:2008:BC4970
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep op rechtsverwerking bij incasso aan bank gecedeerde vorderingen
De zaak betreft een incasso van vorderingen die door [A] B.V. aan de bank waren overgedragen als zekerheid voor een krediet. Na het faillissement van [A] in 1974 heeft Stichting Administratiekantoor Westland Industries (WI) bedragen geïncasseerd die aan de bank toekwamen, maar niet aan de bank zijn afgedragen. De bank vorderde betaling van f 141.950,56 plus nevenvorderingen van WI wegens onrechtmatig handelen en ongerechtvaardigde verrijking.
WI voerde onder meer rechtsverwerking aan omdat zij pas in 1987 werd aangesproken over vorderingen uit 1974. Zowel rechtbank als hof verwierpen dit verweer, stellende dat enkel tijdsverloop onvoldoende is en dat bijzondere omstandigheden ontbraken die een gerechtvaardigd vertrouwen bij WI zouden wekken dat de bank haar aanspraken niet meer zou geldend maken.
Het hof oordeelde verder dat WI onrechtmatig had gehandeld jegens de bank, maar dat ongerechtvaardigde verrijking niet was aangetoond. Daarnaast werd een vermeerdering van eis door de bank toegelaten, waartegen WI geen bezwaar maakte. De Hoge Raad bevestigde deze oordelen en verwierp de cassatiemiddelen van WI, waarbij onder meer werd benadrukt dat eerdere procedures tussen curatoren en WI niet leidden tot een gerechtvaardigd vertrouwen dat de bank geen vordering zou instellen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep van WI en bevestigde dat de bank recht heeft op betaling van f 141.950,56 plus rente en kosten.