ECLI:NL:PHR:2008:BC5694
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot hoger beroep tegen procesmachtiging curator in faillissementsprocedure
In deze zaak staat centraal of bestuurders die door de curator aansprakelijk worden gesteld wegens onbehoorlijk bestuur, hoger beroep kunnen instellen tegen een door de rechter-commissaris verleende procesmachtiging aan de curator om een bodemprocedure te starten.
De faillissementsrechtelijke context betreft meerdere vennootschappen die failliet zijn verklaard, waarbij de curatoren toestemming vroegen om tegen de bestuurders te procederen wegens bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 2:248 BW Pro. De rechter-commissaris verleende deze machtiging, waartegen de bestuurders beroep instelden, maar de rechtbank verklaarde hen niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad bevestigt dat het recht op hoger beroep ex art. 67 lid 1 Fw Pro beperkt is tot degenen die partij zijn bij de beschikking, doorgaans degene die het verzoek heeft gedaan of tegen wie het verzoek is gericht. Bestuurders die geen schuldeisers zijn en niet als gefailleerde kunnen worden aangemerkt, hebben geen zelfstandig beroeprecht tegen de procesmachtiging. Dit sluit aan bij het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in de Faillissementswet, gericht op een vlotte afwikkeling van faillissementen.
De Hoge Raad wijst erop dat bestuurders hun bezwaren tegen bestuurdersaansprakelijkheid in de bodemprocedure kunnen aanvoeren, zodat een dubbel beroeprecht niet beoogd is. Ook de parlementaire geschiedenis en eerdere jurisprudentie ondersteunen deze beperkte kring van beroepsgerechtigden. Het beroep van de bestuurders wordt daarom verworpen.
Uitkomst: Bestuurders zijn niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen de procesmachtiging van de curator.