Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2008:BC5694

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12794HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 lid 1 FaillissementswetArt. 68 lid 2 FaillissementswetArt. 69 FaillissementswetArt. 2:248 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid hoger beroep tegen machtiging rechter-commissaris in faillissementsprocedure

In deze cassatieprocedure stond centraal de vraag wie bevoegd is tot het instellen van hoger beroep tegen een beschikking van de rechter-commissaris die de curator machtigt een bodemprocedure te starten in een faillissement. De curatoren van meerdere failliete vennootschappen hadden toestemming gevraagd om een procedure aan te spannen tegen verzoekers wegens bestuurdersaansprakelijkheid. De rechter-commissaris verleende deze machtiging, waarna verzoekers hoger beroep instelden tegen deze beschikking.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat volgens vaste jurisprudentie alleen degene die het verzoek tot de beschikking heeft gedaan, hier de curator, partij is en dus recht heeft op hoger beroep. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de wederpartij tegen wie de curator de procedure wil starten niet als partij kan worden aangemerkt bij de beschikking van de rechter-commissaris, omdat deze niet het verzoek heeft gedaan noch de beschikking tot hem is gericht.

De Hoge Raad benadrukte dat het faillissementsrecht gericht is op een vlotte afwikkeling van faillissementen en dat de wederpartij zijn bezwaren kan aanvoeren in de bodemprocedure zelf. Daarom kan de wederpartij niet via hoger beroep tegen de machtiging opkomen. Het cassatieberoep werd verworpen en verzoekers werden veroordeeld in de kosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat alleen de curator recht heeft op hoger beroep tegen de machtiging van de rechter-commissaris.

Uitspraak

18 april 2008
Eerste Kamer
Nr. 07/12794HR
IV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Verzoeker 1],
2. [Verzoeker 2],
beiden wonende te [woonplaats], België,
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
1. mr. Frederik Willem UDO,
2. mr. Adrianus Johannes VAN BERGEN,
kantooorhoudende te Maastricht,
beiden in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van:
1. [A] B.V.,
2. [B] B.V.,
3. [C] B.V.,
4. [D] B.V.,
5. [E] B.V.,
6. [F] C.V.,
VERWEERDERS in cassatie,
advocaten: mrs. G. Snijders en M.E.M.G. Peletier.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] c.s. en de curatoren.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij vonnissen van 5 juli 2005 en 4 november 2005 zijn de hiervoor genoemde vennootschappen in staat van faillissement verklaard, met benoeming van een rechter-commissaris en met aanstelling van de curatoren.
De curatoren hebben de rechter-commissaris in dit faillissement verzocht een (bodem)procedure tegen [verzoeker] c.s. te mogen aanspannen.
Het verzoek is bij beschikking van 12 juli 2007 door de rechter-commissaris toegewezen.
[Verzoeker] c.s. hebben de rechtbank verzocht de beslissing van de rechter-commissaris te vernietigen.
De rechtbank heeft bij beschikking van 16 oktober 2007 [verzoeker] c.s. in hun verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
2. Het geding in cassatie
Tegen deze beschikking van de rechtbank hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De curatoren hebben een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [verzoeker] c.s. heeft bij brief van 14 maart 2008 op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij vonnis van 5 juli 2005 zijn [A] B.V., [B] B.V., [C] B.V., [D] B.V. en [E] B.V. failliet verklaard. Bij vonnis van 4 november 2005 is [F] C.V. failliet verklaard.
(ii) Volgens de curatoren zijn [verzoeker] c.s. jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk wegens onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:248 BW Pro.
3.2 De curatoren hebben de rechter-commissaris machtiging verzocht voor het aanspannen van een bodemprocedure tegen [verzoeker] c.s. Bij beschikking van 12 juli 2007 heeft de rechter-commissaris de machtiging als bedoeld in art. 68 lid Pro 2 F. verleend. [Verzoeker] c.s. hebben bij de rechtbank hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. De rechtbank heeft bij beschikking van 16 oktober 2007 [verzoeker] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
"3.2. Tot uitgangspunt moet worden genomen dat hoger beroep van een beschikking van een rechter-commissaris slechts openstaat voor diegene die het verzoek tot de beschikking waarvan beroep heeft gedaan (vergelijk o.a. Hoge Raad 6 oktober 2006, JOR 2006, 281, en Hoge Raad 22 april 2005, NJ 2005, 405).
3.3. De omstreden beschikking betreft de toestemming van de rechter-commissaris naar aanleiding van het verzoek van 27 juni 2007 van de curatoren om een bodemprocedure te starten tegen [[verzoeker] c.s.] op basis van - zakelijk weergegeven - bestuurdersaansprakelijkheid. Op grond van voormelde jurisprudentie komt het recht om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de rechter-commissaris derhalve slechts toe aan de curatoren, als indieners van het oorspronkelijke verzoek om te mogen procederen."
3.3 De onderdelen 2.1 en 2.3 stellen de vraag aan de orde of degene tegen wie de curator gemachtigd wordt een procedure aan te spannen, gerechtigd is op de voet van art. 67 lid Pro 1 F. hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarbij die machtiging is verleend.
Bij de beantwoording van deze vraag dient tot uitgangspunt dat alleen degene die "partij" was bij de beschikking van de rechter-commissaris het recht heeft van hoger beroep (HR 6 oktober 2006, nr. R05/137, LJN AX8295). Als "partij" kan in ieder geval worden aangemerkt degene die, behorend tot één van de in art. 69 F. genoemde categorieën, het tot de beschikking leidende verzoek aan de rechter-commissaris heeft gedaan (HR 22 april 2005, nr. R04/125, NJ 2005, 405). Ook kan als "partij" worden aangemerkt degene tot wie de beschikking is gericht, zoals de curator aan wie de rechter-commissaris een bevel als bedoeld in art. 69 F. heeft gegeven.
3.4 Degene tegen wie de curator gemachtigd is een procedure aan te spannen, kan echter om die enkele reden niet als "partij" bij de beschikking worden aangemerkt; de beschikking is immers niet door hem verzocht of tot hem gericht. Weliswaar is zijn belang direct betrokken bij de door de rechter-commissaris verleende machtiging om een procedure tegen hem te beginnen, maar zijn rechtspositie wordt op zichzelf niet aangetast door gebruikmaking door de curator van die machtiging (anders dan bijvoorbeeld het geval is voor de werknemer die blijkens de uitdrukkelijke regeling van art. 67 lid 2 mag Pro opkomen tegen een aan de curator verleende machtiging om de arbeidsovereenkomst op te zeggen). Bovendien heeft degene tegen wie met machtiging van de rechter-commissaris een procedure kan worden aangespannen, als zodanig geen belang of taak bij het toezicht op het beheer en de vereffening van de boedel, in welk kader de betrokken machtiging is gegeven. Mede in aanmerking genomen dat het faillissementsrecht gericht is op een vlotte afwikkeling van het faillissement en dat degene tegen wie de curator gemachtigd is een procedure te beginnen zijn bezwaren in die procedure naar voren kan brengen, moet dan ook worden aangenomen dat art. 67 lid Pro 1 F. hem niet de mogelijkheid biedt op te komen tegen de aan de curator verleende machtiging een procedure tegen hem aan te spannen.
3.5 Uit het hiervoor overwogene volgt dat de onderdelen weliswaar terecht opkomen tegen de overweging van de rechtbank (rov. 3.2) dat hoger beroep van een beschikking van de rechter-commissaris slechts openstaat voor diegene die het verzoek tot de beschikking heeft gedaan - uitgangspunt is immers dat degene die "partij" is bij de bestreden beschikking het recht van hoger beroep heeft - maar dat de onderdelen niettemin niet tot cassatie kunnen leiden.
3.6 Ook de in onderdeel 2.2 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [verzoeker] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curatoren begroot op € 345,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J Numann op 18 april 2008.