ECLI:NL:PHR:2008:BC6743
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling juiste maatstaf bij horen van ter terechtzitting verschenen getuige in hoger beroep
In deze zaak stond centraal de vraag welke maatstaf het hof moet hanteren bij het afwijzen van een verzoek tot het horen van een ter terechtzitting verschenen getuige in hoger beroep. De verdediging had verzocht om een getuige te horen die ter terechtzitting was verschenen, nadat een eerder verzoek tot oproeping was afgewezen. Het hof wees dit verzoek af met de overweging dat de noodzaak daartoe niet was gebleken, terwijl de verdediging stelde dat het verdedigingscriterium moest gelden.
De Hoge Raad stelt vast dat de wettelijke regeling sinds 1 januari 2005 is gewijzigd en dat bij het horen van ter terechtzitting verschenen getuigen het verdedigingscriterium van artikel 287 lid 2 jo Pro. 288 Sv van toepassing is, niet het strengere noodzaakcriterium. Dit betekent dat het hof het verzoek niet had mogen afwijzen op basis van het ontbreken van noodzaak, maar had moeten beoordelen of de verdachte door het niet horen van de getuige in zijn verdediging wordt geschaad.
Verder overweegt de Hoge Raad dat het verzoek tot het horen van de getuige andere argumenten bevatte dan het eerdere verzoek tot oproeping, namelijk het onder ede bevestigen van een eerder schriftelijk afgelegde verklaring. Het hof had dit moeten meewegen en kon het verzoek niet afwijzen wegens gebrek aan nieuwe argumenten.
Ten slotte behandelt de Hoge Raad ook de motivering van de opgelegde geldboete, die het hof als passend achtte gelet op de draagkracht van de verdachte en diens jaaromzet, en verklaart dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting met toepassing van het juiste criterium voor het horen van ter terechtzitting verschenen getuigen.