ECLI:NL:PHR:2008:BC8689
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijswaardering en partijgetuigenverklaring in geschil over beëindiging samenwerkingsovereenkomst bodemsanering
In deze zaak staat centraal de bewijswaardering van het hof in een geschil tussen E&T en Hak Milieutechniek B.V. over de beëindiging van een samenwerkingsovereenkomst op het gebied van bodemsanering.
E&T vordert betaling van facturen en een beëindigingsvergoeding op grond van artikel 4.3 van de overeenkomst, terwijl Hak stelt dat de overeenkomst niet is beëindigd. Het hof heeft Hak opgedragen te bewijzen dat partijen op 3 augustus 2001 tot overeenstemming zijn gekomen over afspraken zoals weergegeven in een brief van 9 augustus 2001. Het hof achtte de verklaring van Hak's statutair directeur als partijgetuigenverklaring en kende deze, ondersteund door de verklaring van de directeur uitvoering, voldoende bewijskracht toe. De verklaringen van E&T's getuigen werden minder zwaar gewogen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de regels van artikel 164 lid 2 Rv Pro. correct heeft toegepast en dat de bewijswaardering begrijpelijk en toelaatbaar is. Daarnaast is het cassatieberoep van E&T niet-ontvankelijk verklaard omdat zij onvoldoende heeft onderbouwd dat Holland Milieutechniek B.V. de rechtsopvolgster van Hak is, terwijl de procedure in eerdere instanties tegen Hak werd gevoerd. De Hoge Raad wijst het beroep af zonder inhoudelijke behandeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep van E&T wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing van rechtsopvolging; de bewijswaardering van het hof wordt bevestigd.