ECLI:NL:PHR:2008:BD4375
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep tegen machtiging voortzetting inbewaringstelling psychiatrisch ziekenhuis
Op 7 april 2008 werd betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen op last van de burgemeester. De officier van justitie verzocht de rechtbank om machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling, waarbij een geneeskundige verklaring van een arts die geen psychiater was, was overgelegd. De rechtbank verleende de machtiging en verwierp het verweer dat de verklaring niet voldeed.
Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking. De Hoge Raad oordeelde dat op grond van art. 29 lid 5 Wet Pro Bopz geen rechtsmiddel openstaat tegen een beschikking tot voortzetting van de inbewaringstelling, tenzij sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen. In dit geval was geen sprake van een dergelijke schending en bovendien was het beroep feitelijk niet ontvankelijk wegens het ontbreken van belang, omdat de geldigheidsduur van de machtiging was verstreken.
De Hoge Raad besprak verder de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de vereisten van een medisch onderzoek door een psychiater voorafgaand aan vrijheidsbeneming en bevestigde dat in spoedeisende gevallen een direct onderzoek door een psychiater mogelijk achterwege kan blijven, mits dit spoedig daarna alsnog plaatsvindt. In deze zaak was geen spoedeisendheid aannemelijk gemaakt en was geen psychiatrisch onderzoek voorafgaand aan de machtiging verricht.
De conclusie van de Hoge Raad is dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk wordt verklaard, mede omdat het beroep geen effect meer kan sorteren. De zaak benadrukt de noodzaak van een tijdig psychiatrisch onderzoek bij vrijheidsbeneming en de beperkte mogelijkheden tot rechtsmiddelen tegen machtigingen tot voortzetting van inbewaringstelling.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling wordt niet-ontvankelijk verklaard.