ECLI:NL:PHR:2008:BD6026
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsgeschil over ontbinding arbeidsovereenkomst zonder beëindigingsvergoeding
De zaak betreft een arbeidsgeschil tussen een werknemer en een stichting die zorg verleent aan bejaarden. De werknemer was sinds 1990 in dienst en kreeg meerdere waarschuwingen over haar functioneren. Na een incident met een dreigbrief werd zij op non-actief gesteld. De stichting vroeg ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens veranderde omstandigheden zonder toekenning van een beëindigingsvergoeding.
De mondelinge behandeling werd meerdere malen uitgesteld op verzoek van de werknemer, maar een laatste verzoek om uitstel vlak voor de zitting werd door de rechter afgewezen. De zaak werd zonder aanwezigheid van de gemachtigde van de werknemer behandeld. De werknemer stelde dat dit in strijd was met het beginsel van hoor en wederhoor en dat de rechter de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst niet had betrokken.
De Hoge Raad oordeelde dat het verzoek om uitstel op het laatste moment ongemotiveerd was en dat de rechter het verzoek terecht had afgewezen. Tevens werd geoordeeld dat de procesgang, hoewel juridisch kwetsbaar, niet zodanig was dat het appèlverbod doorbroken kon worden. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de ontbinding zonder vergoeding in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de werknemer wordt verworpen en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding blijft in stand.