ECLI:NL:PHR:2008:BD6385
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Overdrachtsbelasting en de kwalificatie van aandelen in een camping BV als fictieve onroerende zaak
Belanghebbende verwierf alle aandelen in een camping BV waarvan het vermogen voor 94% uit onroerende zaken bestond. Op aangifte werd overdrachtsbelasting voldaan, maar belanghebbende maakte bezwaar omdat niet aan de doel-eis van artikel 4(1)(a) Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BvR) was voldaan. Het Hof stelde vast dat horeca, winkel, toeristische kampeerplaatsen en zwembad niet dienstbaar waren aan de exploitatie van onroerende zaken, waardoor de aandelen niet als fictieve onroerende zaak konden worden aangemerkt.
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het oordeel over de toeristische plaatsen, die volgens hem wel dienstbaar waren. De Hoge Raad bevestigde dat de doel-eis inhoudt dat onroerende zaken hoofdzakelijk dienstbaar moeten zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die zaken, en dat recreatieve voorzieningen en kortstondige verhuur wijzen op exploitatie van een recreatiebedrijf en niet van onroerende zaken.
De Hoge Raad benadrukte de historische context van de regeling als anti-ontgaansbepaling en wees op het belang van een economische benadering. Het arrest bevestigt dat aandelen in vennootschappen die onroerende zaken gebruiken voor reguliere bedrijfsdoeleinden, zoals een camping met recreatieve voorzieningen, niet automatisch als fictieve onroerende zaken worden belast.
Het incidentele beroep op het gelijkheidsbeginsel werd buiten behandeling gelaten omdat het geen ander oordeel zou opleveren. De Hoge Raad adviseert het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren en het incidentele beroep niet te behandelen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de aandelen in de camping BV niet kwalificeren als fictieve onroerende zaak en dat geen overdrachtsbelasting verschuldigd is.