ECLI:NL:PHR:2008:BF3257
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid en formele rechtskracht van bouwvergunning na bestuursrechtelijke procedures
In deze zaak gaat het om de verlening van een bouwvergunning door de deelgemeente Rotterdam aan Stichting Pniël voor de uitbreiding van een verpleeghuis achter de woning van eisers. Eisers maakten bezwaar tegen het besluit van 10 december 1996 en voerden aan dat de vergunning onrechtmatig was vanwege het ontbreken van een voldoende planologisch toetsingskader en urgentie.
De bestuursrechtelijke procedures leidden tot vernietiging van de eerste en tweede beslissing op bezwaar, maar het primaire besluit tot verlening van de vergunning bleef onherroepelijk en werd uiteindelijk gehandhaafd in de derde beslissing op bezwaar. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het ontbreken van een planologisch kader de eerste beslissing op bezwaar onrechtmatig maakte, maar stelde dat het primaire besluit niet was vernietigd.
De civiele rechter stelde aanvankelijk vast dat het primaire besluit onrechtmatig was en kende schadevergoeding toe. Het hof vernietigde dit oordeel en stelde dat de burgerlijke rechter uit moet gaan van de rechtmatigheid van het primaire besluit zodra dit onherroepelijk is geworden en niet is vernietigd, ook al is een beslissing op bezwaar vernietigd. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt de leer van formele rechtskracht, waarbij een besluit dat niet is vernietigd of ingetrokken als rechtmatig moet worden beschouwd. De Hoge Raad bespreekt tevens de nuances tussen bestuursrechtelijke en civielrechtelijke beoordeling van onrechtmatigheid en de noodzaak van verdere bestuursrechtelijke procedures na vernietiging van een beslissing op bezwaar.
Uitkomst: De bouwvergunning is onherroepelijk en rechtmatig; eisers kunnen geen schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad verkrijgen.