ECLI:NL:PHR:2008:BG1596
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechter bij tussentijdse toetsing voortzetting ISD-maatregel
Deze zaak betreft de vraag welke rechter bevoegd is tot de tussentijdse beoordeling van de noodzaak tot voortzetting van de tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel wanneer deze maatregel door een gerechtshof is opgelegd. De wetgever heeft aansluiting gezocht bij de regeling van de terbeschikkingstelling waarbij de rechtbank die in eerste aanleg kennisnam van het misdrijf exclusief bevoegd is tot dergelijke toetsing.
De Hoge Raad concludeert dat de regeling van art. 38s Sr en de artikelen 509ff Sv erop wijzen dat alleen de rechtbank bevoegd is tot deze tussentijdse beoordeling, ook als de maatregel door het hof is opgelegd. Het hof kan bij het opleggen van de maatregel een tussentijdse toetsing bevelen, maar is niet bevoegd deze zelf uit te voeren.
De uitspraak vernietigt een beschikking van het Hof Amsterdam waarin het hof zich bevoegd achtte tot tussentijdse toetsing. De zaak wordt verwezen naar de rechtbank die in eerste aanleg kennisnam van het misdrijf. Hiermee wordt rechtsbescherming van de veroordeelde gewaarborgd en wordt voorkomen dat er geen toetsing plaatsvindt door bevoegdheidsgeschillen tussen hoven en rechtbanken.
Uitkomst: Het Hof Amsterdam was onbevoegd tot tussentijdse beoordeling voortzetting ISD-maatregel; bevoegdheid berust bij rechtbank eerste aanleg.