ECLI:NL:PHR:2009:BC5874
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatieberoep tegen ongelijkheid in toepassing vennootschapsbelastingtarief bij gebroken boekjaar
De zaak betreft de vraag of belastingplichtigen met een gebroken boekjaar ongelijk worden behandeld bij de tariefsverlaging van de vennootschapsbelasting in 2002, omdat het verlaagde tarief pas geldt voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2002. De belanghebbende, een vennootschap met een gebroken boekjaar van 1 september tot 31 augustus, werd daardoor acht maanden langer belast tegen het hogere tarief dan belastingplichtigen met een kalenderjaarboekjaar.
De Rechtbank Haarlem en het Hof Amsterdam oordeelden dat deze ongelijke behandeling een verboden discriminatie vormt zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof. De conclusie van de Advocaat-Generaal erkent dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar benadrukt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij fiscale onderscheidingen.
De conclusie stelt dat de wetgever in 2002 binnen zijn beoordelingsmarge bleef door geen overgangsregeling naar tijdsgelang toe te passen, mede vanwege de geringe omvang van de tariefsverlaging en het op zichzelf staande karakter ervan, in tegenstelling tot eerdere jaren waarin samenhangende en omvangrijkere verlagingen plaatsvonden met overgangsrecht. De conclusie wijst op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die stelt dat fiscale onderscheidingen niet manifest onlogisch of willekeurig mogen zijn.
Hoewel het nadeel voor de belanghebbende aanzienlijk is, wordt geoordeeld dat de wetgever zijn belangenafweging heeft gemaakt en dat de rechter deze moet respecteren, tenzij deze manifest onredelijk is. De conclusie adviseert het cassatieberoep gegrond te verklaren en de eerdere uitspraken te vernietigen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de eerdere uitspraken worden vernietigd omdat de wetgever een redelijke belangenafweging heeft gemaakt bij het achterwege laten van overgangsrecht naar tijdsgelang.