ECLI:NL:PHR:2009:BH1154
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Voorwaarden voor omkering van de bewijslast bij niet doen van vereiste aangifte in belastingzaken
Deze conclusie van Advocaat-Generaal IJzerman bij de Hoge Raad behandelt zes belastingzaken waarin centraal staat wanneer een inhoudelijk niet adequate aangifte kan worden beschouwd als het niet doen van de vereiste aangifte volgens de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
De conclusie bespreekt de voorwaarden waaronder de sanctie van omkering van de bewijslast kan worden toegepast, met name het vereiste dat het gaat om relatief aanzienlijke bedragen die niet zijn aangegeven. Tevens wordt ingegaan op de vraag of bewustheid van de belastingplichtige vereist is voor toepassing van deze sanctie. Uit jurisprudentie en literatuur blijkt dat de omkering van de bewijslast een bestuurlijke sanctie is die niet lichtvaardig wordt toegepast.
De conclusie benadrukt dat bij aanslagbelastingen de maatstaf voor relatief aanzienlijke bedragen moet worden bepaald aan de hand van de positieve resultaten (inkomsten) en niet op basis van aftrekposten. De niet aangegeven positieve resultaten moeten worden gerelateerd aan het werkelijk behaalde belastbare inkomen. Daarnaast wordt besproken dat de sanctie niet moet worden toegepast bij afwezigheid van alle schuld (avas) en dat het opzetvereiste niet altijd doorslaggevend is, maar wel enige graad van bewustheid van de belastingplichtige noodzakelijk is.
De conclusie leidt tot de slotsom dat het beroep in cassatie gegrond moet worden verklaard vanwege een onjuiste rechtsopvatting van het hof omtrent de maatstaf voor relatief aanzienlijke bedragen en de toepassing van de omkering van de bewijslast.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard wegens onjuiste rechtsopvatting over de maatstaf voor relatief aanzienlijke bedragen en toepassing van de omkering van de bewijslast.