ECLI:NL:PHR:2009:BH3186
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt alimentatieberekening bij echtscheiding op basis van gezinsinkomen voorafgaand aan uiteengaan
De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtelieden over de vaststelling van partner- en kinderalimentatie na hun echtscheiding. Het huwelijk werd op 3 oktober 2007 ontbonden, waarbij een minderjarig kind betrokken is. Partijen waren eigenaar van een vennootschap onder firma (VOF) die in 2006 werd beëindigd. De vrouw vroeg alimentatie voor zichzelf en het kind, welke door de rechtbank en het hof werd toegewezen.
De man stelde cassatieberoep in tegen de beschikking van het hof, waarbij hij onder meer betwistte dat het hof het gezinsinkomen over 2005 als uitgangspunt mocht nemen voor de behoeftebepaling van het kind, in plaats van het inkomen ten tijde van het uiteengaan in 2006. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht een stabiele periode voorafgaand aan het uiteengaan heeft gekozen, omdat het inkomen op het moment van uiteengaan door toevalligheden kan afwijken van het normale welvaartsniveau.
Verder werd de draagkracht van de man vastgesteld op basis van zijn verdiencapaciteit, waarbij het hof mocht kiezen voor de grootboekrekeningen boven niet-getekende jaarstukken. Klachten over de verdeling van winst en de waardering van autokosten werden verworpen. Ook de draagkracht van de vrouw werd beoordeeld, waarbij het hof rekening hield met heffingskortingen. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de beschikking van het hof werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de beschikking van het hof Arnhem wordt bekrachtigd.