ECLI:NL:HR:2003:AF8841

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R02/090HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • D.H. Beukenhorst
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
  • F.B. Bakels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling alimentatie en hoofdverblijfplaats kinderen bij echtscheiding

De man verzocht bij de rechtbank Zutphen om echtscheiding, hoofdverblijfplaats van de kinderen en een omgangsregeling vast te stellen. De vrouw verzocht om hoofdverblijfplaats bij haar, een beperkte omgangsregeling, en alimentatie voor zichzelf en de kinderen. De rechtbank wees de echtscheiding toe, bepaalde de hoofdverblijfplaats en legde alimentatieverplichtingen op aan de man.

Beide partijen stelden hoger beroep in bij het hof Arnhem. Het hof vernietigde het deel van de beschikking over de alimentatie voor de vrouw en stelde een lager bedrag vast met ingang van 8 maart 2002. De beslissing over de omgangsregeling werd aangehouden in afwachting van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming.

De man stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest. De Hoge Raad vernietigde het arrest wegens onvoldoende motivering omtrent de rentelasten en de draagkracht van de man in de periode tussen maart 2002 en februari 2003. De zaak werd verwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Arnhem en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling.

Uitspraak

5 september 2003
Eerste Kamer
Rek.nr. R02/090HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall,
t e g e n
[de vrouw], wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 20 december 2000 ter griffie van de Rechtbank te Zutphen ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed tussen hem en verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - uit te spreken. Voorts heeft de man - voor zover in cassatie nog van belang - de Rechtbank verzocht:
- te bepalen dat de drie in het verzoekschrift genoemde kinderen van partijen hun hoofdverblijfplaats bij de man zal hebben, en
- ingeval de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben, een omgangsregeling tussen de man en de kinderen vast te stellen zoals verzocht in het verzoekschrift.
De vrouw heeft het verzoek voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de omgangsregeling bestreden en zelfstandig verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben;
- de vast te stellen omgangsregeling tussen de man en de kinderen te beperken als in het verzoekschrift omschreven;
- te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen een bedrag van ƒ 500,-- per maand per kind zal bijdragen, en
- te bepalen dat de man voor haar levensonderhoud een bedrag van ƒ 3.450,-- per maand aan de vrouw zal betalen.
De man heeft het zelfstandig verzoek van de vrouw bestreden en bovendien verzocht de alimentatieverplichting jegens de vrouw te limiteren in tijd en zodanig dat die verplichting komt te vervallen één jaar nadat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Na een tussenbeschikking van 9 maart 2001 heeft de Rechtbank bij beschikking van 6 december 2001 echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen aan de vrouw zal betalen een bedrag van ƒ 500,-- (€ 226,89) per kind per maand en vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor het levensonderhoud zal betalen een bedrag van ƒ 3.000,-- (€ 1.361,30) per maand, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen de beschikking van 6 december 2001 heeft de man voor wat betreft de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en de toewijzing van het verzoek tot vaststelling van een alimentatie voor de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 13 augustus 2002 heeft het Hof in het principaal en incidenteel beroep de beschikking van de Rechtbank te Zutphen van 6 december 2001 vernietigd voor zover het de daarbij vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende, het bedrag dat de man aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud dient te betalen met ingang van 8 maart 2002 vastgesteld op € 1.165,-- per maand, deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en de beslissing omtrent de vaststelling van een omgangsregeling aangehouden in afwachting van een rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 Onderdeel b van middel IV is gericht tegen de overweging van het Hof in rov. 4.15, in het kader van de vaststelling van de onderhoudsbijdrage voor de vrouw, dat het Hof "[t]en aanzien van de overige fiscaal aftrekbare kosten [...] niet [rekening heeft gehouden] met overige praktijkkosten voor een bedrag van ƒ 15.000,-- per jaar nu de man tegenover de betwisting daarvan door de vrouw niet heeft aangetoond dat het daarbij om werkelijk gemaakte kosten gaat, die niet door de maatschap worden vergoed (aan elk van de maten wordt een vergoeding uitbetaald voor autokosten), respectievelijk die daadwerkelijk worden gemaakt (representatie) en niet reeds als uitgaven in maatschapsverband zijn geboekt" (rov. 4.15).
Het onderdeel slaagt. De vrouw heeft in haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appel onder 'Ad punt 18' over de door de man opgevoerde overige praktijkkosten gesteld: "Het is naar het oordeel van de vrouw redelijk deze post op maximaal ƒ 15.000,00 (€ 6.806,70) te stellen". In het licht hiervan is niet begrijpelijk op grond waarvan het Hof heeft aangenomen dat de vrouw deze post in zoverre had betwist.
3.2 Onderdeel a van middel V is gericht tegen de overweging van het Hof, eveneens in rov. 4.15, dat het Hof "geen rekening [heeft] gehouden met de rentelasten van ƒ 15.625,-- per jaar voor een in 1991 aangegane lening ten behoeve van de betaling van de goodwill, nu deze rentelast in februari 2003 komt te vervallen aangezien een aan deze lening gekoppelde levensverzekering dan tot uitbetaling komt en het hof van oordeel is dat de keuze van de man om deze levensverzekering als pensioenvoorziening voort te zetten niet ten laste van zijn draagkracht mag worden gebracht, te meer niet nu de man reeds een pensioenvoorziening heeft en niet aangetoond is dat deze ontoereikend zal zijn".
Het Hof heeft de ingangsdatum van de door hem vastgestelde alimentatie bepaald op 8 maart 2002. Het onderdeel klaagt, dat het Hof met de in de vorige alinea aangehaalde overweging ontoereikend heeft gemotiveerd, waarom naar zijn oordeel met de bedoelde rentelast ook geen rekening behoeft te worden gehouden ten aanzien van de periode tussen 8 maart 2002 en februari 2003. Deze klacht is gegrond. Zonder nadere, door het Hof niet gegeven, motivering is niet begrijpelijk, waarom bij de bepaling van de onderhoudsbijdrage voor de vrouw reeds vanaf 8 maart 2002 rekening moet worden gehouden met de volgens het Hof in februari 2003 te verwachten toename van de draagkracht van de man.
3.3 De overige in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 13 augustus 2002;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 5 september 2003.