ECLI:NL:PHR:2009:BH7291
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing getuigeverzoek en bespreekt videoconferentie als hooroptie
In deze zaak werd verdachte veroordeeld wegens medeplegen van een opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet. Tijdens het hoger beroep weigerde een belangrijke getuige, die zich in het buitenland bevond, te verschijnen ondanks meerdere oproepen en bevelen tot medebrenging. De verdediging verzocht om aanhouding van de zaak om de getuige alsnog te horen.
Het hof wees dit verzoek af omdat het onaannemelijk was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn zou verschijnen. De advocaat-generaal stelde dat het hof terecht had geoordeeld dat hernieuwde oproeping zinloos was gezien de weigering van de getuige en zijn verblijf in Spanje. De verdediging klaagde dat het hof niet had overwogen om de getuige via videoconferentie te horen, zoals mogelijk is op grond van art. 131a Sv.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof. De mogelijkheid van videoconferentie is een bevoegdheid van de rechter, geen verplichting, en het hof hoefde dit niet ambtshalve te overwegen. Bovendien had de verdediging dit argument eerder moeten aanvoeren. Daarnaast werd geconstateerd dat de redelijke termijn voor de uitspraak was overschreden, wat strafvermindering rechtvaardigt. Het middel van cassatie faalde verder, behalve dat de Hoge Raad de strafhoogte ambtshalve zal verminderen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt afgewezen, met ambtshalve strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.