ECLI:NL:PHR:2009:BI1325
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep op artikel 31 Vluchtelingenverdrag bij bezit vals reisdocument
Deze zaak betreft de vraag of artikel 31, eerste lid, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) een vluchteling beschermt tegen strafvervolging wegens het bezit van een vals reisdocument bij binnenkomst in Nederland. De verdachte, een vluchteling uit Iran, werd veroordeeld voor het bezit en het opzettelijk voorhanden hebben van een vals reisdocument. Het hof verwierp het beroep op artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro en overmacht.
De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte een onderscheid maakte tussen illegale binnenkomst en het bezit van een vals reisdocument, terwijl artikel 31 juist Pro beoogt vluchtelingen te vrijwaren van strafsancties wegens illegale binnenkomst of verblijf, ook als dit gepaard gaat met gebruik van valse documenten. De Hoge Raad benadrukt dat het bezit van een vals reisdocument in dit geval onlosmakelijk verbonden is met het gebruik ervan om Nederland binnen te komen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de veroordeling wegens het bezit van het vals reisdocument betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep op overmacht wordt niet zelfstandig behandeld. De veroordeling voor het opzettelijk voorhanden hebben van een vals geschrift blijft in stand.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de veroordeling wegens bezit van een vals reisdocument betreft en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.