ECLI:NL:PHR:2009:BI1909
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over terugwerkende kracht afschaffing pc-privéregeling en loonheffing
De zaak betreft de terugwerkende afschaffing van de pc-privéregeling, waarbij de Staatssecretaris van Financiën per persbericht op 27 augustus 2004 om 17.00 uur aankondigde dat de regeling werd afgeschaft. De wettelijke afschaffing trad formeel in werking op 1 januari 2005 met terugwerkende kracht tot genoemde datum. De belanghebbende, een belastingambtenaar, kocht in september 2004 een pc en printer en vroeg via het cafétariasysteem een belastingvrije vergoeding op basis van de pc-privéregeling. De werkgever hield echter loonheffing in over deze vergoeding in oktober 2004.
De Inspecteur wees het bezwaar van de belanghebbende op 17 december 2004 af, nog vóór de publicatie van de wet in het Staatsblad op 23 december 2004. De Rechtbank oordeelde dat de inhouding onterecht was omdat de wettelijke regeling toen nog van kracht was. Het Hof stelde in een vergelijkbare zaak dat het moment van uitspraak op bezwaar doorslaggevend is voor de toetsing, maar in deze zaak stelde het Hof de belanghebbende in het gelijk omdat de uitspraak vóór publicatie was gedaan.
De Hoge Raad bevestigt dat de terugwerkende kracht van de wet niet betekent dat de wet vóór de inwerkingtreding geldt. De inhouding van loonheffing in oktober 2004 was daarom niet rechtsgeldig. Ook het argument dat de rechter bij uitspraak het dan geldende recht moet toepassen wordt verworpen, omdat de uitspraak op bezwaar werd gedaan vóór de inwerkingtreding van de wet. Het proceseconomische argument van de Staatssecretaris dat de belanghebbende geen belang zou hebben bij gegrondverklaring wordt niet aanvaard. De Hoge Raad concludeert dat de uitspraak op bezwaar terecht is vernietigd en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de inhouding van loonheffing vóór de inwerkingtreding van de afschaffingswet onrechtmatig was.