ECLI:NL:PHR:2009:BI9634
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Peildatum waardebepaling effectenportefeuille bij verdeling huwelijksgoederengemeenschap
Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en gingen in scheiding. De man vroeg de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waaronder een effectenportefeuille. De vrouw legde maritaal beslag op de portefeuille op 11 februari 1998. Na diverse procedures werd uiteindelijk de peildatum voor de waardebepaling van de portefeuille betwist.
De rechtbank stelde de peildatum op de datum van beslaglegging vanwege onvoldoende verantwoording door de man over waardedalingen en privé-opnamen. Het hof stelde echter de peildatum op 17 juli 2000, de datum van feitelijke verdeling, omdat partijen waren overeengekomen dat de man een voorschot betaalde op basis van de waarde per die datum en de vrouw onvoldoende had gemotiveerd waarom een eerdere peildatum passend zou zijn.
De vrouw stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht geen peildatum voor de waardebepaling vóór de feitelijke verdeling hanteerde, omdat de vrouw onvoldoende feiten had gesteld om van de hoofdregel af te wijken. Ook was er geen algemene vuistregel dat bij maritaal beslag de peildatum altijd de datum van beslaglegging moet zijn. Het hof had de redelijkheid en billijkheid in aanmerking genomen en het oordeel was niet onbegrijpelijk of onjuist.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat de peildatum voor de waardebepaling van de effectenportefeuille bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap in beginsel de datum van feitelijke verdeling is, tenzij partijen anders overeenkomen of de eisen van redelijkheid en billijkheid een afwijking vereisen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de peildatum voor de waardebepaling van de effectenportefeuille de datum van feitelijke verdeling is, tenzij anders overeengekomen of op grond van redelijkheid en billijkheid.