ECLI:NL:PHR:2009:BJ1243
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Huurrechtelijke kwalificatie van gehuurde als woonruimte of bedrijfsruimte en volmacht makelaar
In deze zaak staat centraal of het gehuurde moet worden aangemerkt als woonruimte of als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW. De huurovereenkomst vermeldde bedrijfsruimte, maar de feitelijke situatie en het gebruik wezen op overwegend woonruimte. De kantonrechter en het hof concludeerden dat partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst primair woonruimte voor ogen hadden, mede op basis van getuigenverklaringen en de inrichting van het gehuurde.
De verhuurder stelde dat de schriftelijke huurovereenkomst leidend was en dat de makelaar niet bevoegd was om het gehuurde als woonruimte te verhuren. De Hoge Raad oordeelde dat voor de uitleg van de overeenkomst niet beslissend is of de makelaar binnen zijn volmacht handelde, maar wat partijen redelijkerwijs voor ogen stond bij het aangaan van de overeenkomst. De huurders mochten erop vertrouwen dat de makelaar bevoegd was, mede omdat het beheer aan deze makelaar was toevertrouwd.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het gehuurde overwegend woonruimte is, waardoor artikel 7:230a BW niet van toepassing is. De opvolgend verhuurder is gebonden aan de mondeling overeengekomen bestemming en kan de huurders niet houden aan de afwijkende schriftelijke bepalingen. Dit arrest verduidelijkt de maatstaf voor de kwalificatie van gemengde huurobjecten en de reikwijdte van volmacht bij verhuur.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het gehuurde overwegend woonruimte is en verwerpt het cassatieberoep van de verhuurder.