ECLI:NL:PHR:2009:BJ2768
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling cassatie tegen ontnemingsmaatregel wegens wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak staat het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin betrokkene werd veroordeeld tot betaling van € 15.000 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het cassatieberoep richt zich op twee middelen: ten eerste dat het arrest in de hoofdzaak vernietigd zou zijn, waardoor ook het ontnemingsarrest zou moeten worden vernietigd, en ten tweede dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel innerlijk tegenstrijdig zou zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat het middel dat uitgaat van vernietiging van het arrest in de hoofdzaak faalt, omdat er geen grond is voor vernietiging in de hoofdzaak. Het hof had in de hoofdzaak vastgesteld dat uit één feit geen voordeel was verkregen en dat het voordeel uitsluitend uit het andere feit kwam. De Hoge Raad nuanceert dat het ontnemingsarrest correct is en dat de cassatie in de ontnemingszaak is ingesteld om misverstanden te voorkomen.
Ten aanzien van de vermeende innerlijke tegenstrijdigheid in de berekening stelt de Hoge Raad vast dat het hof een kennelijke verschrijving heeft gecorrigeerd door aan te geven dat het voordeel is berekend op 25% van de winkelwaarde en niet 50%, zoals eerder werd aangenomen. Deze correctie is toegestaan en leidt niet tot vernietiging. De Hoge Raad concludeert dat de middelen falen en verwerpt het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van € 15.000 blijft in stand.