ECLI:NL:HR:1997:AA3283
Hoge Raad
- Cassatie
- Bellaart
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toerekening betaling en berekening invorderingsrente bij belastingaanslag
Belanghebbende kreeg een aanslag inkomstenbelasting 1989 opgelegd met een betalingstermijn tot 29 augustus 1991. Uitstel van betaling werd verleend met vermelding van invorderingsrente na die datum. In 1994 werd een bedrag bijgeschreven op de rekening van de ontvanger, waarbij de betaling deels werd toegerekend aan invorderingsrente en deels aan hoofdsom en kosten. Belanghebbende betwistte de toerekening en de berekening van de renteperiode.
Het Hof bevestigde de beslissing van de ontvanger dat de toerekening van betalingen op grond van artikel 7 lid 1 Invorderingswet Pro 1990 correct was toegepast en dat de dag van betaling de dag van creditering op de rekening van de ontvanger is. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en oordeelde dat de civielrechtelijke regels voor toerekening van betalingen slechts van toepassing zijn indien geen bestemming is aangegeven, maar bij betaling op één aanslag geldt de dwingende regeling van artikel 7 Invorderingswet Pro 1990.
De Hoge Raad benadrukte dat de berekeningsregels voor invorderingsrente zich niet verdragen met een afwijkende toerekening en bevestigde dat de valutadatum van de betaling niet beslissend is, maar de datum van creditering op de rekening van de ontvanger. Er was geen grond voor proceskostenveroordeling. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het Hof bevestigd dat de toerekening van betalingen en de berekening van invorderingsrente correct zijn toegepast.