ECLI:NL:PHR:2010:BF2227
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aanvang terbeschikkingstellingsregeling bij verhuur bedrijfsruimte aan gelieerde vennootschap
Belanghebbende en haar echtgenoot kochten in 2001 een pand met de bedoeling dit na verbouwing te verhuren aan een BV waarin zij een aanmerkelijk belang hadden. De verbouwing lag in 2002 stil en het pand werd dat jaar niet gebruikt door de BV, noch werd er huur betaald. Het geschil betrof de vraag of het pand in 2002 al ter beschikking was gesteld in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001.
Het hof oordeelde dat het pand vanaf het moment van aankoop tot de terbeschikkingstelling behoorde en stond daarmee lijnrecht tegenover het standpunt van de staatssecretaris dat de regeling pas aanvangt bij feitelijke terbeschikkingstelling. De staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad stelt dat de terbeschikkingstellingsregeling een bijzondere regeling is die vereist dat het genot van het vermogensbestanddeel daadwerkelijk toekomt aan de gelieerde vennootschap, of dat er een rechtens afdwingbare afspraak bestaat. Voorbereidende handelingen en intenties zijn onvoldoende. De Hoge Raad verklaart het middel gegrond en bevestigt dat de regeling pas aanvangt bij feitelijke terbeschikkingstelling.
Deze uitspraak verduidelijkt het aanvangsmoment van de terbeschikkingstellingsregeling en benadrukt het belang van feitelijk genot en afdwingbare afspraken, waarmee het onderscheid tussen intentie en daadwerkelijke terbeschikkingstelling wordt benadrukt.
Uitkomst: De terbeschikkingstellingsregeling vangt pas aan bij feitelijke terbeschikkingstelling of een afdwingbare afspraak, niet bij aankoop of verbouwing.