ECLI:NL:PHR:2010:BI9784
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van aanloopverliesregeling bij terbeschikkingstelling monumentenpand aan eigen bv
Belanghebbende, eigenaar van een monumentenpand, verhuurde vanaf 8 december 2001 een deel van het pand aan zijn eigen bv, waarmee sprake was van een werkzaamheid in de zin van art. 3.92 Wet IB 2001. Voor die datum viel het pand in box 3. Het geschil betrof de vraag of een aanloopverlies, bestaande uit renovatie- en financieringskosten, op grond van art. 3.10 Wet IB 2001 in aanmerking mocht worden genomen.
Rechtbank Breda en Hof 's-Hertogenbosch oordeelden dat art. 3.10 Wet IB 2001 niet van toepassing was omdat het pand vanaf het begin een bron van inkomen vormde en de regeling bedoeld is voor kosten die gemaakt zijn in een fase waarin onduidelijk was of sprake was van een bron. Belanghebbende stelde dat het Hof ten onrechte een extra voorwaarde stelde dat onduidelijkheid moest bestaan over het bronkarakter.
De A-G concludeert dat art. 3.10 Wet IB 2001 alleen van toepassing is bij een groeiproces waarbij de bron in statu nascendi aanwezig is, en niet algemeen voor de aanloopfase van elke bron. Bij terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen aan eigen bv is arbeid geen substantiële factor en dient te worden onderzocht of negatieve resultaten voorafgaand aan de daadwerkelijke terbeschikkingstelling verband houden met de start van die bron. In de onderhavige zaak is de renovatie met het oog op verhuur aan de bv geschied, wat onder art. 3.10 kan vallen. Daarom slaagt het beroep in cassatie en wordt verwezen voor vaststelling van het aanloopverlies.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor vaststelling van het aanloopverlies in het eerste ondernemingsjaar.