ECLI:NL:HR:2006:AU3869
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen verwijzing en wijst verzoeken tot aanvullend onderzoek af
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad op 14 maart 2006 uitspraak gedaan over een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Het hof had de verdachte vrijgesproken van bepaalde tenlasteleggingen en een deel van de zaak verwezen naar de rechtbank voor verdere berechting. De verdachte stelde onder meer verzoeken in tot het horen van een politiecommissaris als getuige en tot onderzoek naar het bestaan van een Rijksrechercherapport, gebaseerd op een anonieme brief.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is voor zover het zich richt tegen beslissingen tot verwijzing van de zaak, omdat deze geen einduitspraken zijn. Daarnaast wordt het beroep verworpen voor zover het ziet op de afwijzing van de verzoeken tot aanvullend onderzoek en getuigenverhoor. Het hof heeft de juiste maatstaf toegepast bij de beoordeling van deze verzoeken, waarbij het belang van het verzochte niet aannemelijk is gemaakt en de anonieme brief onvoldoende aanknopingspunten bood.
De Hoge Raad benadrukt dat de beslissing van het hof verweven is met feitelijke waarderingen die in cassatie slechts beperkt kunnen worden getoetst. Ook het tijdstip van het verzoek en de inhoudelijke onderbouwing waren onvoldoende om het verzoek te honoreren. De Hoge Raad ziet geen reden om het arrest te vernietigen of ambtshalve in te grijpen en verklaart het beroep voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor verwijzingsbeslissingen en het beroep tegen afwijzing van verzoeken tot aanvullend onderzoek is verworpen.