ECLI:NL:PHR:2010:BJ9092
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verenigbaarheid van verlengde navorderingstermijn bij buitenlandse tegoeden met EG-recht
De zaak betreft de toetsing van artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan het EG-recht, waarbij een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar geldt voor buitenlandse tegoeden. De belanghebbende werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag vermogensbelasting 1998 en stelde dat deze termijn in strijd was met het EG-verdrag.
De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) over de verenigbaarheid van deze verlengde termijn met de artikelen 49 en 56 EG. Het HvJ EG oordeelde dat een langere navorderingstermijn gerechtvaardigd kan zijn zolang er geen aanwijzingen zijn die een nuttig verzoek om internationale bijstand mogelijk maken, maar dat bij voldoende aanwijzingen de termijn niet verder mag worden verlengd dan nodig voor het verkrijgen van die bijstand.
De Hoge Raad analyseert dat het arrest van het HvJ EG een onderscheid maakt tussen twee situaties: (i) geen aanwijzingen voor nuttige internationale bijstand, waarbij de termijn tot twaalf jaar kan lopen, en (ii) wel aanwijzingen, waarbij de termijn beperkt moet blijven tot de noodzakelijke tijd voor het verkrijgen van informatie uit de bronstaat. Dit onderscheid leidt tot bewijs- en bewijslastverdelingsproblemen in de praktijk.
De Hoge Raad concludeert dat de navorderingstermijn proportioneel moet zijn en dat de fiscus voortvarend moet handelen zodra voldoende aanwijzingen aanwezig zijn. De zaak wordt verwezen voor feitelijk onderzoek naar het moment waarop de fiscus over voldoende aanwijzingen beschikte en of de navorderingstermijn disproportioneel is verlengd. Tevens wordt opgemerkt dat de langere termijn ook geldt voor niet-fraudegevallen en dat het bankgeheim in de bronstaat niet doorslaggevend is voor de proportionaliteit van de termijnverlenging.
Uitkomst: De zaak wordt verwezen voor feitelijk onderzoek naar de proportionaliteit van de verlengde navorderingstermijn en het moment waarop de fiscus over voldoende aanwijzingen beschikte.