ECLI:NL:PHR:2013:2364
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vernietiging navorderingsaanslagen wegens onvoldoende voortvarendheid Belastingdienst in project Bank Zonder Naam
Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. De kern van het geschil betrof de vraag of de Belastingdienst voortvarend heeft gehandeld, met name in de identificatiefase van het project Bank Zonder Naam, waarin gegevens van buitenlandse bankrekeningen werden verwerkt.
De rechtbank oordeelde dat de navorderingsaanslagen tijdig en voortvarend waren opgelegd. Het hof vernietigde deze aanslagen echter, stellende dat de onderzoeksfase meer dan een jaar duurde terwijl hooguit enkele maanden noodzakelijk waren. De Hoge Raad bevestigt dat het tijdsverloop in de identificatiefase moet worden getoetst vanaf het moment dat de Belastingdienst voldoende aanwijzingen heeft om een onderzoek in te stellen, ook al is de identiteit van de rekeninghouder nog niet bekend.
De Hoge Raad onderkent dat het oordeel over voortvarendheid feitelijk is en dat rechters verschillend kunnen oordelen over de toelaatbare duur van de identificatiefase. Het hof mocht oordelen dat de Belastingdienst onvoldoende voortvarend was, mede omdat slechts één medewerker een deel van zijn tijd aan de verwerking besteedde. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt daarmee de vernietiging van de navorderingsaanslagen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen worden vernietigd wegens onvoldoende voortvarendheid.