ECLI:NL:PHR:2010:BJ9120
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verlengde navorderingstermijn bij buitenlandse tegoeden en EG-recht
Deze zaak betreft de beoordeling van de navorderingstermijn van twaalf jaar voor buitenlandse spaartegoeden en inkomsten, zoals geregeld in artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), en de vraag of deze regeling verenigbaar is met de artikelen 49 en 56 van het EG-Verdrag.
De belanghebbende gaf vrijwillig openheid over buitenlandse tegoeden bij een Duitse bank, waarna navorderingsaanslagen werden opgelegd. De Staatssecretaris stelde dat het EG-recht de verlengde termijn niet in de weg staat, terwijl de belanghebbende betoogde dat de termijn proportioneel moet zijn en afgestemd op de tijd die nodig is voor nuttige internationale bijstand.
Het Hof van Justitie van de EG (HvJ EG) oordeelde dat de langere navorderingstermijn een beperking vormt van het vrije kapitaalverkeer, maar deze kan worden gerechtvaardigd door de noodzaak van effectieve fiscale controles en fraudebestrijding. Het HvJ EG maakt een onderscheid tussen gevallen waarin de fiscus geen aanwijzingen heeft om een nuttig inlichtingenverzoek te doen, en gevallen waarin die aanwijzingen er wel zijn. In het eerste geval is een termijn van twaalf jaar proportioneel, in het tweede geval mag de verlenging niet langer duren dan noodzakelijk om nuttige bijstand te verkrijgen.
De Hoge Raad concludeert dat het arrest van het HvJ EG betekent dat de navorderingstermijn in gevallen met aanwijzingen beperkt moet worden tot de tijd die nodig is voor het verkrijgen van internationale bijstand, en dat de twaalfjaarstermijn niet ongedifferentieerd kan worden toegepast. De zaak wordt verwezen naar een andere rechtbank voor nader feitelijk onderzoek naar de vraag wanneer de fiscus over voldoende aanwijzingen beschikte en of de navorderingstermijn proportioneel is toegepast.
Uitkomst: De zaak is verwezen naar een andere rechtbank voor nader onderzoek naar de proportionaliteit van de navorderingstermijn en het moment van aanwijzingen.