ECLI:NL:PHR:2010:BK3359
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens ontbreken wettig bewijs moord op echtgenote
Op 15 maart 2006 werd het slachtoffer dood aangetroffen met vele steek- en snijwonden. Verdachte, echtgenoot van het slachtoffer, werd beschuldigd van moord en doodslag. Het hof stelde vast dat bloedsporen van het slachtoffer op de auto en in de woning van verdachte waren aangetroffen, evenals een schoenspoor mogelijk van verdachte onder het lichaam van het slachtoffer.
Verdachte verklaarde dat hij die avond werd bezocht door twee onbekende mannen die hem bedreigden, waarbij zijn vrouw gewond raakte. Hij gaf aan bloed aan zijn handen te hebben gekregen door het helpen van zijn vrouw en dat hij later zijn buurman heeft gehaald. Het hof oordeelde dat het technisch bewijs zowel met de lezing van de advocaat-generaal als die van verdachte verenigbaar was, en dat de verklaring van verdachte niet zo onwaarschijnlijk was dat die door bewijsmiddelen weerlegd hoefde te worden.
De advocaat-generaal stelde dat verdachte pas anderhalf jaar na het feit met zijn verklaring kwam en dat deze ongeloofwaardig was. Het hof vond echter dat het ontbreken van bewijsmiddelen die de verklaring weerleggen en aanwijzingen die de verklaring ondersteunen, vrijspraak rechtvaardig maakten. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie, waarbij werd benadrukt dat een rechter niet verplicht is alle bezwaren tegen een verdediging te weerleggen als de verdediging niet onwaarschijnlijk is.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig bewijs voor moord en doodslag.