Conclusie
Nummer20/04444
De procedure in cassatie
“financiering van terrorisme, meermalen gepleegd”,2.
“overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2 van Pro de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd”,3.
“overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2 van Pro de Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd”,en 4.
“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II”,veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door negentig dagen hechtenis, en met aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro.
De cassatiemiddelen – een kort overzicht vooraf
De bewijsconstructie van het hof
smokkelaarbij terrorisme. Het tweede middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat
de smokkelaar gelieerd was aan IS, noch dat
het geld is terechtgekomen bij al dan niet aan IS gelieerde grensbewakers.
“de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het financieren van terrorisme doordat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het door hem overgemaakte geld geheel of ten dele, direct of indirect, terecht zou komen bij de terroristische organisatie IS, reeds vanwege het enkele feit dat personen gelieerd aan IS, zoals mensensmokkelaars en grensbewakers, geld aan de overboekingen overhouden”.
NJ1974/450). Indien de rechter aan de verwerping van een dergelijk verweer nieuwe, nog niet in de bewijsmiddelen voorkomende feiten of omstandigheden ten grondslag legt waarop de bewezenverklaring steunt, moet worden gesproken van feiten en/of omstandigheden die door de rechter redengevend voor de bewezenverklaring worden geacht. [7]
nietheeft overwogen. Het hof heeft
nietoverwogen dat het door de verdediging voorgestelde, ‘alternatieve’ scenario niet aannemelijk is geworden, dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Het hof gaat in principe uit van de lezing van de verdachte (kort gezegd: geld overmaken naar tussenpersonen om zijn broers terug te halen uit IS-gebied), maar acht dat niettemin strafbaar. [9]
“personen gelieerd aan IS, zoals mensensmokkelaars en grensbewakers, geld aan de overboekingen overhouden.”Daarmee beroept het hof zich op feiten en omstandigheden die in de kennelijke opvatting van het hof reden geven voor de bewezenverklaring, namelijk: (1) mensensmokkelaars en grensbewakers zijn gelieerd aan IS, en (2) mensensmokkelaars en grensbewakers houden geld over aan overboekingen.
nietgelieerd aan IS? Of hebben zij een dubbele pet op: geld verdienen aan de (toch wel) vertrekkende strijders en (een deel van) dat geld vervolgens weer ten goede laten komen aan IS en de gewapende Jihadstrijd?
ter beschikking zijn gesteldaan IS en bestreden (ad iii) dat verdachtes opzet gericht was op het ter beschikking stellen van de gelden
aan IS. Daartoe is aangevoerd dat (1) de overgemaakte gelden waren bedoeld om de broers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] weg te krijgen uit IS-gebied en (2) de broers afstand hadden gedaan van IS. [12]
Het vierde middel – overmacht in de zin van noodtoestand
NJ1923, nader onderbouwd door aan te voeren dat het hof in het eerste geval hier de lat te hoog heeft gelegd door te eisen dat aannemelijk wordt gemaakt dat de broers
in levensgevaarverkeerden alvorens van een noodtoestand als bedoeld in artikel 40 Sr Pro te mogen spreken.
“de pleger van het feit, staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen, de zwaarstwegende heeft laten prevaleren.” [18] Bij de beoordeling van de vraag of de dader een gerechtvaardigde keuze heeft gemaakt spelen een aantal [19] beginselen een rol. Zo is daar het zogenoemde adequatievereiste: de vraag of het gekozen middel wel geëigend (geschikt) was om aan de onhoudbaar geachte situatie een einde te maken. Daarnaast spelen de beginselen van een subsidiariteit en proportionaliteit een grote rol. De eerste vraag is die naar de subsidiariteit: was er niet een ander – minder ingrijpend – alternatief voorhanden om aan de noodsituatie een einde te maken en het zwaarstwegende belang te beschermen? Pas als de vraag naar de subsidiariteit ontkennend moet worden beantwoord, komt de vraag naar de proportionaliteit in beeld: bestaat er tussen het te beschermen belang en het gekozen middel een redelijke verhouding?
het leven van zijn broers te reddendoor (mogelijk) de wet te overtreden. Op dat aangevoerde levensgevaar heeft het hof gereageerd. Tot iets anders was het hof niet gehouden.