ECLI:NL:PHR:2010:BK3571
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid van de Staat voor rente over executieopbrengst door deurwaarder
In deze zaak stond de uitleg van artikel 480 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering centraal, met name de vraag of de Staat ook aansprakelijk is voor de marktconforme rente over de executieopbrengst die door een deurwaarder op een derdenrekening was gestort en vervolgens door het faillissement van het deurwaarderskantoor was verloren gegaan.
De belanghebbenden, waaronder Lehman Brothers International (Europe) en andere partijen, hadden aanspraak gemaakt op deze rentevergoeding. De Staat betwistte deze aansprakelijkheid en stelde dat de wetgever niet had voorzien in een verplichting tot het genereren van rente over de gestorte gelden.
De Hoge Raad oordeelde dat de aansprakelijkheid van de Staat niet beperkt is tot de kale netto-opbrengst, maar ook de rente omvat die de deurwaarder had moeten bedingen of die was gekweekt. De wetgever had bewust gekozen voor een ruime formulering in artikel 480 lid 3 Rv Pro, die ruimte laat voor een bredere invulling van de verplichtingen van de deurwaarder.
Verder stelde de Hoge Raad dat er een ongeschreven rechtsregel bestaat dat professionals zoals deurwaarders verplicht zijn om voor een redelijke renteopbrengst te zorgen bij het beheer van substantiële bedragen voor derden. Deze verplichting is sinds de inwerkingtreding van de Gerechtsdeurwaarderswet ook expliciet in de wet opgenomen.
De klachten van de Staat werden verworpen en de Hoge Raad bevestigde de hoofdelijkheid van de Staat voor de rente over de executieopbrengst.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Staat hoofdelijk aansprakelijk is voor de rente over de executieopbrengst die door het failliete deurwaarderskantoor niet is uitgekeerd.