ECLI:NL:PHR:2010:BK8523
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt criteria voor baatbelasting bij herinrichting historisch stadshart Breda
Deze zaak betreft de vraag of bij de herinrichting van het historische stadshart van Breda voorzieningen in de zin van artikel 222, lid 1, van de Gemeentewet zijn gerealiseerd, en in hoeverre de wijziging of vervanging van bestaande voorzieningen heeft geleid tot een wezenlijke verbetering. Belanghebbenden waren aangeslagen voor baatbelasting, welke zij betwistten. Na diverse gerechtelijke procedures, waaronder vernietigingen en verwijzingen door de Hoge Raad, heeft het Hof Arnhem geoordeeld dat slechts enkele voorzieningen als verbetering kunnen worden aangemerkt, terwijl het geheel van voorzieningen niet wezenlijk is veranderd.
De Hoge Raad bevestigt in dit arrest dat het begrip 'voorziening' ook wijziging of vervanging van bestaande voorzieningen omvat, mits dit resulteert in verbetering. Onder verbetering wordt niet verstaan louter onderhoud, en hogere kosten dan onderhoud zijn onvoldoende om van verbetering te spreken. Bij herinrichting geldt dat het geheel van voorzieningen wezenlijk moet zijn veranderd naar inrichting, aard of omvang om baatbelasting te kunnen heffen. Het Hof heeft deze maatstaf juist toegepast en voldoende gemotiveerd dat het geheel niet wezenlijk is veranderd.
De Hoge Raad wijst ook op de complexiteit van het onderscheid tussen onderhoud en verbetering en de noodzaak tot objectieve toetsing van baat. De uitspraak bevestigt dat baatbelasting alleen kan worden geheven voor die delen van herinrichting die daadwerkelijk verbetering opleveren en dat kosten van onderhoud moeten worden uitgesloten. Daarmee wordt het instrument baatbelasting beperkt tot wezenlijke meerwaarde voor onroerende zaken in het heringerichte gebied.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de gemeente Breda wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof Arnhem bevestigd dat het geheel van voorzieningen niet wezenlijk is veranderd.