ECLI:NL:PHR:2010:BL1706
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van lijfsdwang als strafrechtelijke maatregel binnen het toepassingsbereik van artikel 7 EVRM
In deze zaak staat de vraag centraal of de tenuitvoerlegging van lijfsdwang, opgelegd op grond van artikel 577c Sv, als een strafrechtelijke sanctie ('penalty') in de zin van artikel 7, eerste lid, EVRM moet worden beschouwd. De zaak betreft een ontnemingsmaatregel opgelegd voor feiten gepleegd in december 1991, waarbij de lijfsdwang werd gevorderd ter executie van een betalingsverplichting.
De advocaat-generaal bespreekt uitvoerig de wetsgeschiedenis van de vervangende hechtenis en de invoering van lijfsdwang als alternatief dwangmiddel. De Hoge Raad bevestigt dat de lijfsdwang, ondanks het civielrechtelijke karakter dat de wetgever aanvankelijk nastreefde, een strafvorderlijk dwangmiddel is dat door de strafrechter wordt opgelegd na veroordeling wegens een strafbaar feit. De lijfsdwang voldoet aan de criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft geformuleerd in de arresten Welch en Jamil voor het kwalificeren van een sanctie als 'penalty'.
Vervolgens wordt geoordeeld dat de duur van de lijfsdwang niet langer mag zijn dan de zes maanden die golden voor de vervangende hechtenis ten tijde van het gepleegde strafbare feit, conform artikel 1, tweede lid, Sr en artikel 7 EVRM Pro. Dit betekent dat het hof terecht het verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang heeft beperkt tot zes maanden, ondanks dat de wettelijke maximumduur drie jaar bedraagt. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het oordeel van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk is gemotiveerd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat lijfsdwang een strafrechtelijke sanctie is en beperkt de duur daarvan tot zes maanden conform het recht ten tijde van het strafbare feit.