ECLI:NL:HR:2007:AZ4724
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing vermogensvergelijking en afwijzing getuigenverzoeken in ontnemingsprocedure
In deze cassatieprocedure bevestigt de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin de betrokkene werd veroordeeld tot betaling van € 22.500.000,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel. De zaak betreft een ontnemingsprocedure naar aanleiding van strafbare feiten gepleegd in de periode van 1 maart 1989 tot 29 juni 1992.
De Hoge Raad overweegt dat het hof terecht de methode van vermogensvergelijking heeft toegepast, waarbij het beginvermogen van de betrokkene op nihil is gesteld. Dit uitgangspunt is gebaseerd op het faillissement van de betrokkene dat in 1988 wegens gebrek aan baten werd beëindigd en het ontbreken van bewijs van inkomsten daarna. De verdediging had verzocht om het horen van zes getuigen om het beginvermogen te betwisten, maar het hof wees deze verzoeken af wegens onvoldoende concrete onderbouwing. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel niet onbegrijpelijk is en dat de verdediging voldoende gelegenheid heeft gehad om bewijs aan te dragen.
Voorts bevestigt de Hoge Raad dat de vervangende hechtenis, die tot 1 september 2003 kon worden opgelegd bij niet-betaling van ontnemingsbedragen, is komen te vervallen en vervangen door lijfsdwang. Dit nieuwe regime is gunstiger voor de betrokkene en geldt ook voor feiten gepleegd vóór 1 maart 1993. Het hof heeft derhalve terecht geen voorziening opgenomen voor vervangende hechtenis in het arrest.
Het beroep in cassatie wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsveroordeling tot betaling van € 22.500.000,- en wijst het cassatieberoep af.