ECLI:NL:PHR:2010:BL3964
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onjuiste maatstaf bij afwijzing getuigenverzoeken in hoger beroep
In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes voorwaardelijk, wegens ontuchtige handelingen met een minderjarige. De verdediging had in het hoger beroep veertien getuigen opgegeven, waarvan later een deel werd teruggenomen in een brief van de raadsman. Tijdens de terechtzitting op 23 maart 2007 werden verzoeken tot het horen van enkele getuigen afgewezen door het hof, waarbij onder meer werd geoordeeld dat de noodzaak tot het horen van een bepaalde getuige niet bestond.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof bij de afwijzing van het verzoek tot het horen van een meegebrachte getuige een verkeerde maatstaf heeft toegepast door te oordelen dat de noodzaak tot het horen niet bestond. De Hoge Raad benadrukt dat een verzoek tot het horen van een getuige slechts mag worden afgewezen op de gronden genoemd in art. 288, eerste lid, onder b en c Sv. Daarnaast bespreekt de Hoge Raad de procedure na verwijzing of terugwijzing van een zaak en stelt dat de oorspronkelijke appelschriftuur bepalend blijft voor de beoordeling van getuigenverzoeken.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling op het bestaande hoger beroep. Tevens geeft de Hoge Raad nadere richtlijnen over de toepassing van het noodzaakcriterium en de rol van de verdediging bij het opgeven en intrekken van getuigen in hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling op het bestaande hoger beroep.