ECLI:NL:HR:2010:BL3964
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- H.A.G. Splinter-van Kan
- W.F. Groos
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over maatstaf en procedure bij afwijzing getuigenverzoeken in hoger beroep na terugwijzing
In deze strafzaak heeft de verdachte hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank. Tijdens het hoger beroep werden diverse verzoeken gedaan tot het horen van getuigen. Het hof wees sommige verzoeken af met toepassing van een onjuiste maatstaf of onvoldoende motivering. De verdachte stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat een verzoek tot het horen van een meegebrachte getuige slechts mag worden afgewezen op de gronden genoemd in art. 288 lid 1 onder Pro b en c Sv, en dat het hof een verkeerde maatstaf had gehanteerd bij de afwijzing van één van de getuigen. Tevens was de afwijzing van een ander verzoek onvoldoende gemotiveerd. De Hoge Raad bevestigde dat het hof de juiste maatstaf had toegepast bij een ander getuigenverzoek.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad de procedurele vraag hoe om te gaan met de opgave van getuigen en deskundigen in hoger beroep na verwijzing of terugwijzing door de Hoge Raad. De Hoge Raad stelde vast dat de bepalingen van art. 410 lid 3 Sv Pro en aanverwante artikelen niet van toepassing zijn in de procedure na verwijzing of terugwijzing, en dat de maatstaven uit art. 263 en Pro 264 Sv onverkort gelden. Het hof kan oproeping van getuigen die reeds in eerste aanleg zijn gehoord weigeren op grond van het noodzaakcriterium.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.