ECLI:NL:PHR:2010:BL7044
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepasselijk recht arbeidsovereenkomst tussen Duitse werkgever en Nederlandse werknemer
In deze zaak staat centraal welk recht van toepassing is op een arbeidsovereenkomst gesloten tussen een in Duitsland gevestigde werkgever en een in Nederland woonachtige werknemer. De werknemer vorderde bij de Nederlandse rechter een verklaring dat Nederlands recht van toepassing is, met name vanwege gunstigere verjaringstermijnen voor provisieclaims. De rechtbank wees de vordering toe, maar het hof stelde dat op grond van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO) stilzwijgend Duits recht van toepassing is.
Het hof baseerde dit onder meer op de Duitse taal van het contract, verwijzingen naar Duits arbeidsrecht, forumkeuzebedingen voor Duitse rechtbanken en de feitelijke uitvoering van werkzaamheden. De werknemer stelde dat de Nederlandse verjaringstermijn als dwingend recht voorrang heeft, maar het hof oordeelde dat artikel 3:307 BW Pro niet dwingend is in de zin van het EVO.
De Hoge Raad bevestigt deze beoordeling en wijst het cassatieberoep van de werknemer af. De Hoge Raad overweegt dat de vraag naar de geldigheid van de rechtskeuze moet worden beoordeeld naar het gekozen recht, dat de verwijzing naar Duitse rechtbanken een aanwijzing is voor rechtskeuze, en dat de Nederlandse verjaringstermijn niet als dwingend recht kan worden aangemerkt. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht geen bewijsaanbod heeft toegelaten dat onvoldoende is gespecificeerd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat Duits recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst en wijst het beroep op Nederlandse dwingendrechtelijke verjaringstermijnen af.