ECLI:NL:HR:2008:BC2726
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- P.C. Kop
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- C.A. Streefkerk
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Toepasselijk recht op tijdbevrachtingsovereenkomst en prejudiciële vragen over art. 4 lid 4 en 5 EVO
De zaak betreft een geschil tussen de Belgische vennootschap Intercontainer Interfrigo (ICF) en Nederlandse partijen over een tijdbevrachtingsovereenkomst voor spoorvervoer tussen Amsterdam en Frankfurt. ICF vorderde betaling van onbetaalde facturen, terwijl de wederpartijen stelden dat Nederlands recht van toepassing is en dat de vordering verjaard is.
De rechtbank en het hof oordeelden dat Nederlands recht van toepassing is, ondanks dat ICF een conceptovereenkomst had gestuurd met een rechtskeuze voor Belgisch recht en algemene voorwaarden die Belgisch recht voorschrijven. De Hoge Raad bevestigt dat een rechtskeuze uitdrukkelijk of stilzwijgend moet blijken en dat dit hier niet het geval is.
De Hoge Raad legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de uitleg van art. 4 lid 4 en Pro 5 van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome 1980), met name over de reikwijdte van deze bepalingen voor tijdbevrachtingsovereenkomsten en de toepassing van uitzonderingen op het rechtsvermoeden.
De procedure wordt geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan. De Hoge Raad wijst erop dat de feiten en omstandigheden van het geval een nauwere band met Nederland tonen, waardoor Nederlands recht van toepassing is volgens het hof.
De uitspraak bevat een uitgebreide analyse van de toepasselijkheid van het EVO en de voorwaarden waaronder een rechtskeuze geldig is, met aandacht voor de bijzondere aard van tijdbevrachtingsovereenkomsten in het internationaal privaatrecht.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie over de uitleg van art. 4 lid 4 en 5 EVO.