ECLI:NL:PHR:2010:BL8772
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bezit kinderporno en uitleg van het begrip 'in voorraad hebben' volgens art. 240b Sr
In deze zaak stond het bezit van kinderporno centraal, waarbij het hof had vastgesteld dat de afgebeelde jongens op de bestanden duidelijk jonger dan zestien jaar waren, gebaseerd op lichamelijke ontwikkeling en lichaamsbouw. De verdediging voerde aan dat de werkelijke leeftijd niet was vastgesteld en dat de Tanner-criteria dit tegenspraken, maar het hof stelde dat het erom gaat of het kind op de afbeelding er jonger uitziet dan zestien, niet of het daadwerkelijk zo is.
Het hof oordeelde verder dat op de afbeeldingen sprake was van seksuele gedragingen, onder meer door de aanwezigheid van gespreide benen en gedeeltelijke erecties, hetgeen een feitelijke beoordeling betrof die in cassatie niet kan worden getoetst. De verdediging voerde ook aan dat het begrip 'in voorraad hebben' in strijd zou zijn met het legaliteitsbeginsel, maar het hof volgde de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad waarin dit begrip werd uitgelegd als gelijk aan 'in bezit hebben'.
De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie en bevestigde dat het bezit van kinderporno strafbaar is indien het kind op de afbeelding kennelijk jonger dan zestien jaar is, zonder dat de werkelijke leeftijd bewezen hoeft te worden. Ook werd bevestigd dat het begrip 'in voorraad hebben' in art. 240b Sr correct is uitgelegd en dat het legaliteitsbeginsel niet is geschonden. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat bezit van kinderporno strafbaar is indien het kind op de afbeelding kennelijk jonger dan zestien jaar is.