ECLI:NL:PHR:2010:BL9004
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn en toetsing schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Het gerechtshof Amsterdam legde aan de betrokkene een ontnemingsmaatregel op van €31.440,- wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit het versnijden en verwerken van cocaïne sinds december 2006. De betrokkene stelde cassatie in tegen deze beslissing met drie middelen.
Het eerste middel slaagde omdat de inzendtermijn voor cassatie met twee dagen werd overschreden en de redelijke termijn voor afronding van het cassatiegeding met bijna drie weken was overschreden. Dit leidde tot een vermindering van het ontnemingsbedrag.
Het tweede middel betrof de klacht dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet voldoende uit de bewijsmiddelen bleek. Het hof had het voordeel geschat op €39.970,- gebaseerd op verklaringen van de betrokkene en inbeslaggenomen verpakkingen, waarbij het hof een bedrag in mindering bracht wegens huurkosten en verbeurd verklaard geld. Hoewel niet alle bewijsmiddelen in de aanvulling waren opgenomen, waren deze wel in het arrest zelf gemakkelijk kenbaar gemaakt, waardoor geen schending van het motiveringsvereiste werd geconstateerd.
Het derde middel klaagde dat het ontnemingsbedrag onbegrijpelijk was omdat het aanzienlijk afweek van het door het openbaar ministerie gevorderde bedrag. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende redenen had gegeven voor de afwijking, met name door de berekeningswijze en de motivering van de schatting in het arrest, zodat ook dit middel werd verworpen.
De conclusie van de advocaat-generaal strekte tot vermindering van het ontnemingsbedrag wegens termijnoverschrijding en verwerping van het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert het ontnemingsbedrag wegens overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.