ECLI:NL:PHR:2010:BN1259
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige machtiging tot opname in psychiatrisch ziekenhuis wegens onvoldoende gevaarvaststelling
Op 15 december 2009 verzocht de officier van justitie de rechtbank Rotterdam om een voorlopige machtiging tot opname en verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene verscheen niet bij de zittingen, maar zijn advocaat en behandelend arts wel. De rechtbank wees het verzoek af omdat niet was komen vast te staan dat het gevaar dat betrokkene voor zichzelf of anderen vormt, niet anders kan worden afgewend dan door opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Tevens kon niet worden vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen, een fundamenteel recht.
De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank terecht oordeelde dat de geneeskundige verklaring onvoldoende onderbouwing bood dat het gevaar niet buiten een psychiatrisch ziekenhuis kon worden afgewend. De rechtbank hoefde niet eigener beweging aan te geven welke alternatieven nog niet waren geprobeerd. Ook de klacht dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom het gevaar niet anders kon worden afgewend, faalde omdat het gevaar niet acuut was en er nog ruimte was voor ambulante hulp.
Ten aanzien van de hoorplicht stelde de Hoge Raad vast dat de rechtbank niet kon vaststellen dat betrokkene niet bereid was zich te laten horen. Hoewel betrokkene niet verscheen, was niet duidelijk of hij op de juiste wijze was opgeroepen. De rechtbank had daarom slechts kunnen besluiten tot aanhouding of afwijzing van het verzoek. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de afwijzing van de voorlopige machtiging.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de afwijzing van het verzoek tot voorlopige machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis.