ECLI:NL:HR:2005:AU2872
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vernietiging machtiging voortgezet verblijf psychiatrisch ziekenhuis wegens onjuiste hoorplicht
De zaak betreft een verzoek van de officier van justitie tot machtiging tot voortgezet verblijf van verzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis na een strafrechtelijke plaatsing. De rechtbank verleende deze machtiging zonder dat verzoeker zelf was gehoord, hoewel zijn advocaat had aangegeven dat verzoeker bereid was te worden gehoord.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker niet persoonlijk hoefde te worden opgeroepen omdat hij kennelijk bekend was met het verzoek en de procedure, mede doordat zijn advocaat de zaak had overgenomen. Tevens achtte de rechtbank het aannemelijk dat verzoeker niet bereid was zich te laten horen, mede omdat de advocaat zich op geheimhoudingsplicht beriep over zijn verblijfplaats.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting had door af te zien van een behoorlijke oproeping van verzoeker en door het beroep op geheimhoudingsplicht van de advocaat aan verzoeker toe te rekenen. Dit is in strijd met de vereisten van art. 261 Rv Pro en de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz). Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot machtiging voortgezet verblijf wegens onjuiste oproeping en niet-horen van verzoeker.