ECLI:NL:PHR:2010:BN6241
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring bij ongeval minderjarig kind en onderzoeksplicht wettelijk vertegenwoordiger
Op 4 juni 1996 vond een ernstig verkeersongeval plaats waarbij een minderjarig kind, vertegenwoordigd door haar moeder, zwaar gewond raakte. De moeder was op de hoogte van het ongeval en de betrokken betonmolen, maar stelde de aansprakelijke partijen pas jaren later aansprakelijk.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de korte verjaringstermijn van vijf jaar was verstreken omdat de moeder redelijkerwijs de identiteit van de aansprakelijke persoon had kunnen achterhalen en daarmee de verjaringstermijn was gestart. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat subjectieve onbekendheid niet kan worden ingeroepen als de identiteit eenvoudig had kunnen worden vastgesteld door een beperkt onderzoek.
De Hoge Raad overweegt dat de minderjarigheid van het slachtoffer en de afhankelijkheid van de moeder geen specifieke omstandigheden vormen die het beroep op verjaring onaanvaardbaar maken. Ook de persoonlijke omstandigheden van de moeder, hoewel zwaar, rechtvaardigen niet dat de verjaringstermijn niet zou zijn begonnen. Het beroep op redelijkheid en billijkheid leidt niet tot een andere uitkomst. De vordering is dus verjaard en wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vordering is verjaard omdat de moeder redelijkerwijs de identiteit van de aansprakelijke persoon had kunnen achterhalen en geen tijdig beroep heeft gedaan.