Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
Blaimont, destijds genaamd: Eurocommerce Projectontwikkeling B.V.) heeft in december 2000 samen met Eurocommerce Robex Groep [2] B.V. (hierna:
EC Robex) turnkey-overeenkomsten gesloten met en zeven panden verkocht aan F.N.I. Holding B.V. (hierna:
FNI, rechtsopvolgster van Tresforte Investment B.V.). Daaruit is een conflict ontstaan. FNI heeft EC Robex bij brief van 13 juli 2004, [3] ter attentie van [verweerder] (hierna:
[verweerder], aansprakelijk gesteld. De advocaat van de Eurocommerce Groep (hierna:
EC Groep) heeft deze aansprakelijkstelling op 6 oktober 2004 [4] van de hand gewezen.
Sibema) en [eiseres 2] B.V. (hierna:
[eiseres 2]) hebben op 31 maart 2006 [5] alle aandelen in Blaimont gekocht van Eurocommerce Recreatie B.V. (hierna:
EC Recreatie), eveneens behorend tot de EC Groep. Eurocommerce Holding B.V. (hierna:
EC Holding)was ten tijde van de verkoop van Blaimont bestuurder van EC Recreatie. [verweerder] was tot 30 november 2006 (middellijk) bestuurder van EC Holding.
k. Noch door, noch tegen de vennootschap is enige gerechtelijke of arbitrale procedure aanhangig gemaakt, terwijl geen aankondiging is geschied van een tegen de vennootschap aanhangig te maken procedure.
Ingeval koper de verkoper terecht aanspreekt op het niet waarmaken van de bij deze overeenkomst verleende en eventueel bij de juridische levering nog te verlenen garanties, zal koper aanspraak kunnen maken op schadeloosstelling. Deze is alsdan beperkt tot het bedrag dat, rekening houdende met fiscale consequenties en dergelijke, nodig is om de vennootschap in dezelfde positie te brengen als het geval zou zijn geweest indien de garanties wel waren waargemaakt.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
het vonnis van de rechtbank) heeft de rechtbank het door Sibema en [eiseres 2] gevorderde afgewezen bij gebrek aan (voldoende) belang, omdat de onderliggende vordering tegen [verweerder] naar haar oordeel is verjaard op 12 januari 2012 (vijf jaren na het aanhangig maken van de procedure door FNI tegen Blaimont).
bestreden arrest) heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 5 december 2019 bekrachtigd. Het hof heeft daartoe overwogen dat Sibema en [eiseres 2] [verweerder] op grond van art. 6:162 BW Pro persoonlijk aansprakelijk stellen als (indirect) bestuurder van EC Recreatie voor de schade die zij hebben geleden ten gevolge van de wanprestatie en/of het onrechtmatig handelen van EC Recreatie, daaruit bestaande dat de vennootschap in strijd met de garantiebepalingen in de koopovereenkomst niet heeft medegedeeld dat bij brieven van 13 juli 2004 en 12 juli 2006 FNI een aansprakelijkstelling jegens Blaimont had doen uitgaan en rechtsmaatregelen had aangekondigd. Het gaat hier volgens het hof om aansprakelijkheid van de bestuurder naast aansprakelijkheid van de vennootschap. Daarom is het relevant om vast te stellen of de vennootschap in 2006 jegens Sibema en [eiseres 2] is tekortgeschoten. De rechtbank heeft deze vraag in r.o. 5.5 bevestigend beantwoord, maar heeft, anders dan Sibema en [eiseres 2] stellen, het handelen van [verweerder] in zijn hoedanigheid van bestuurder niet beoordeeld. (r.o. 4.1) Het hof overweegt dat Sibema en [eiseres 2] stellen dat [verweerder] persoonlijk een ernstig verwijt te maken valt, omdat [verweerder] als bestuurder bekend was met de brieven van 13 juli 2004 en 12 juli 2006 en dus op de hoogte was van de claim die FNI bij Blaimont had ingediend, maar daarvan voorafgaand aan de totstandkoming van de koop of bij de levering van de aandelen aan kopers geen mededeling heeft gedaan. Alvorens toe te komen aan de vraag of [verweerder] een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt, beoordeelt het hof het beroep van [verweerder] op verjaring. (r.o. 4.2)
Het hof bespreekt de stellingen van partijen ten aanzien van de vraag of de vordering van Sibema en [eiseres 2] is verjaard op grond van art. 3:310 lid 1 BW Pro en geeft kort het juridisch kader weer (r.o. 4.3-4.6).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
[…] /Wilton Feijenoord. [22]
Mispelhoef/Staat,waarop Sibema en [eiseres 2] zich in onderdeel 5 beroepen, oordeelde Uw Raad in dezelfde lijn dat onvoldoende is dat de benadeelde bekend is met de enkele mogelijkheid dat een partij voor de schade aansprakelijk is. [23] Die zaak betrof een rechtsvordering van Mispelhoef op Rijkswaterstaat tot vergoeding van schade als gevolg van wateroverlast. Uw Raad oordeelde dat het hof de relevantie van de stellingen van Mispelhoef had miskend dat
[…] /Wilton Feijenoord. [25]
Betonmortelfabriek: [30]
[…] ,waarin hij opmerkte:
NJ2006, 113.
[…]in essentie gevolgd. Na een verkenning van verschillende momenten waarop de verjaringstermijn zou kunnen aanvangen, gesteld dat de onderzoeksplicht zou zijn geschonden, komt hij tot de slotsom dat de rechtspraak van de Hoge Raad het beste aldus kan worden uitgelegd dat niet meer wordt gevergd dan een onderzoek direct na bekendheid met de schade, dat voorzienbaar snel resultaat oplevert, en bovendien goedkoop en eenvoudig is. De verjaringstermijn gaat dan lopen kort na bekendheid met de fout en de schade, nu het gevergde onderzoek ook kort daarna de identiteit zou hebben opgeleverd die nodig is om daadwerkelijk een rechtsvordering in te stellen. [33]
Betonmortelfabriek:
Subonderdeel 1.cstelt, kort gezegd, dat het hof het onderscheid tussen het wel aangevoerde genoemd onder 1a en het niet aangevoerde genoemd onder 1b over het hoofd heeft gezien in de motivering van zijn oordeel dat Sibema en [eiseres 2] subjectief bekend raakten met de schade als gevolg van het sluiten van de overeenkomst en het feit dat deze was veroorzaakt door onrechtmatig handelen of wanprestatie.
ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst, zijn ze eveneens ongegrond. Het hof heeft de stellingen van Sibema en [eiseres 2] kennelijk aldus begrepen dat EC Recreatie en [verweerder] hun mededelingsplicht bij het sluiten van de koopovereenkomst en/of bij de levering van de aandelen hebben geschonden. In r.o. 4.2 heeft het hof overwogen dat Sibema en [eiseres 2] stellen dat [verweerder] persoonlijk een ernstig verwijt te maken valt door voorafgaand aan de totstandkoming van de koop
of bij de leveringvan de aandelen aan kopers geen mededeling te doen over de claim van FNI. [cursivering A-G] In r.o. 4.1 overwoog het hof dat Sibema en [eiseres 2] [verweerder] persoonlijk aansprakelijk stellen als (indirect) bestuurder van EC Recreatie voor de schade die zij hebben geleden ten gevolge van de wanprestatie en/of het onrechtmatige handelen van EC recreatie, daaruit bestaande dat de vennootschap in strijd met de garantiebepalingen in de koopovereenkomst niet heeft medegedeeld dat FNI bij brieven van 13 juli 2004 en 12 juli 2006 een aansprakelijkstelling jegens Blaimont had doen uitgaan en rechtsmaatregelen waren aangekondigd. Het hof overweegt niet dat Sibema en [eiseres 2] hebben gesteld dat de wanprestatie en/of het onrechtmatige handelen (alleen) ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst heeft plaatsgevonden. De brief van 12 juli 2006 is ook van na het sluiten van de koopovereenkomst. Deze overwegingen hebben Sibema en [eiseres 2] in cassatie niet bestreden. In r.o. 4.7 trekt het hof deze lijn door: ‘Door de dagvaarding werden zij immers in kennis gesteld van een – ook volgens Sibema en [eiseres 2] (…) – “forse” claim van FNI op Blaimont, waarvan enkele maanden eerder ten tijde van de koop en de levering van de aandelen niet was gebleken.’ Onbegrijpelijk zijn deze overwegingen overigens niet, gelet op het feit dat Sibema en [eiseres 2] in hun memorie van grieven ook het moment van de levering noemen en gelet op de inhoud van art. 5 sub n van Pro de koopovereenkomst. [44]
Subonderdeel 1.c1stelt dat uit de ontvangst van de dagvaarding niet blijkt dat EC Recreatie ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bekend was met de claim en deze dus verzwegen heeft.
Subonderdeel 1.c2stelt dat dit evenmin blijkt uit het feit dat de dagvaarding gebaseerd is op gebeurtenissen uit het jaar 2000.
Subonderdeel 1.c3voert aan dat onbegrijpelijk is dat het hof als reden geeft dat uit de dagvaarding bleek dat over de claim ‘al enige dagen voor 20 juli 2006’ een sommatiebrief was uitgegaan, omdat de koopovereenkomst al voordien, op 31 maart 2006, was gesloten.
Subonderdeel 1.c4stelt dat onbegrijpelijk is dat het hof in de vierde zin van r.o. 4.7 overweegt dat Sibema en [eiseres 2] voorts uit het feit dat [betrokkene 1] in telefonisch contact met [betrokkene 2] zonder enige discussie verzocht de dagvaarding naar Eurocommerce toe te sturen en toezegde de claim te zullen afhandelen hebben kunnen afleiden dat sprake is van een bij EC Recreatie bekende juridische claim. Het subonderdeel wijst er ter onderbouwing op dat Sibema en [eiseres 2] in par. 18 van de memorie van grieven hebben gesteld dat het overnemen van de procedure plaatsvond in het kader van de balansgarantie [art. 5 sub e koopovereenkomst Pro; A-G] en dus niet omdat de verkoper toegaf de garanties van art. 5 sub i en Pro k te hebben geschonden [45] en dat zij in par. 111 van de memorie van grieven hebben gesteld dat ook mr. Haas het overnemen van de procedure in dit kader plaatste. [46] Ook stellen zij dat [verweerder] dit in par. 58 van de memorie van antwoord heeft bevestigd, althans niet tegengesproken. Tevens wijzen zij op het feit dat mr. Brouwers tijdens de mondelinge behandeling in appel heeft gesteld dat het achteraf opkomen van een claim niet ipso facto betekende dat er ook sprake was van een schending van verplichtingen. [47] Subonderdeel 1.dbevat de voortbouwende klacht dat het vervolg van r.o. 4.7 voortborduurt op de met subonderdelen 1.a tot met 1.c bestreden overwegingen en in cassatie evenmin stand kan houden.
subonderdeel 2.aheeft het hof in de vordering tot vergoeding van schade vanwege het verdampen van opgebouwd vermogen in Blaimont, ‘doordat de balansgarantie niet werd nagekomen door het faillissement van de Eurocommercegroep in juni 2012 en door de uiteindelijk afloop van de tegen Blaimont BV door Tresforte/FNI ingestelde vordering, die leidde tot het faillissement van Blaimont BV op 27 februari 2018’ kennelijk en terecht een beroep op onvoorziene schadeposten gezien, zoals bedoeld in HR 24 mei 2002, ECLI:NL:HR:2022:AD9600[,
NJ2003/268, r.o. 3.8, A-G]. In
subonderdeel 2.b t/m 2.estellen [eiseres 2] dat het oordeel van het hof in r.o. 4.8 over aanvang van de verjaringstermijn onjuist althans onvoldoende is gemotiveerd en dat het hof in ieder geval pas voldoende zekerheid (en dus subjectieve bekendheid) met deze (overige) schade had kunnen aannemen op het moment dat Tresforte/FNI de dagvaarding in de schadestaat liet betekenen aan Blaimont op 24 april 2014.
Subonderdeel 4.astelt, onderbouwd met citaten uit de memorie van grieven, dat Sibema en [eiseres 2] dit niet hebben aangevoerd en er juist uitgebreid op hebben gewezen dat bekendheid met die brief juist onvoldoende was om daaruit de conclusie te trekken dat aansprakelijkheid van [verweerder] in het geding kon zijn. Ook voert het subonderdeel aan dat Sibema en [eiseres 2] erop hebben gewezen dat zij als opvolgende aandeelhouders niets wisten van de voorgeschiedenis van Blaimont BV en dus ook de in de brief van 13 juli 2004 genoemde projecten niet met Blaimont BV in verband konden brengen.
appellantende brief van 13 juli 2004 worden gevonden (…).’
onder 5.atot uitgangspunt dat van de crediteur enig onderzoek mag worden verwacht, zodat subjectieve onbekendheid alleen niet voldoende is om een beroep op verjaring af te weren, maar dat er niet meer kan worden gevraagd dan een beperkt, eenvoudig uit te voeren onderzoek, dat redelijkerwijs van de benadeelde kan worden verlangd. Het subonderdeel verwijst naar het arrest inzake
Betonmortelfabriek, hiervoor onder 4.13 reeds besproken.
[…] -arrest (zie onder 4.15): de benadeelde hoeft niet over de exacte feitenkennis te beschikken die nodig is om op dat moment een dagvaarding uit te brengen. Er moeten voor de benadeelde voldoende aanknopingspunten zijn om een onderzoek naar de ontbrekende gegevens omtrent aansprakelijkheid in te stellen. De Hoge Raad heeft in meerdere arresten overwogen dat voor aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro niet vereist is dat de benadeelde bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden (zie onder 4.10). De in het subonderdeel genoemde stellingen miskennen dit. Daarnaast moet r.o. 4.12 worden gelezen tegen de achtergrond van het oordeel van het hof in r.o. 4.7 dat Sibema en [eiseres 2] (middels hun bestuurders [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ) door de dagvaarding al bekend raakten met hun schade en de feiten die ten grondslag lagen aan de wanprestatie/onrechtmatige daad van EC Recreatie. Het hof gaat er dus van uit dat de stap in par. 269 van de memorie van grieven, dat getoetst zou moeten worden of de verklaringen in de koopovereenkomst onwaar waren, al was gezet. Verder is er, zoals het hof overweegt, in dit geval inderdaad sprake van samenhang tussen de aansprakelijkheid van de vennootschap en van de handelende bestuurder. Sibema en [eiseres 2] , althans [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , hadden aan de hand van de processtukken eenvoudig kunnen inventariseren welke natuurlijke personen aan de zijde van EC Recreatie betrokken waren. Ik merk op dat de betrokken bestuurder in dit geval ook een van de twee natuurlijke personen is die als middellijk bestuurder namens EC Recreatie de koopovereenkomst met betrekking tot de aandelen in Blaimont heeft ondertekend. Verder is in cassatie onbestreden de overweging in de eerste helft van r.o. 4.12 dat niet aan [verweerder] kan worden toegerekend dat Sibema en [eiseres 2] geen kennis hebben genomen van de inhoud van de dagvaarding en zich niet, althans slechts ten dele, hebben laten informeren over de inhoud van het procesdossier. Hadden zij dat wel gedaan, dan hadden zij minstens verscheidene van de in de memorie van grieven genoemde stappen al doorlopen. De daartoe benodigde informatie bevond zich immers reeds in hun domein. Gelet op het voorgaande zijn r.o. 4.11 en 4.12 niet onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd. Subonderdeel 5.b is ongegrond.
Overigens ontbreekt in het subonderdeel een vindplaats van de stelling dat er onderzoek gedaan had moeten worden naar de bestuursstructuur van EC Recreatie door de jaren heen en dat had moeten worden vastgesteld of de betrokken bestuurder ook bekend was met de gang van zaken bij Blaimont.
Betonmortelfabriekstelt het subonderdeel dat er in dit geval geen aanknopingspunten waren voor aansprakelijkheid van een voldoende bepaalde persoon. Onder verwijzing naar HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552 (
Mispelhoef) voert het subonderdeel voorts aan dat in dit geval zelfs geen bekendheid bestond met de mogelijkheid dat (ook nog) een ander aansprakelijk is voor de schade.
Subonderdelen 6.a en 6.bbevatten een citaat van een deel van par. 191-192 MvG en weergave van de overwegingen van het hof.
Subonderdeel 6.cstelt dat de overwegingen van het hof in r.o. 4.13, dat de – door [verweerder] betwiste – stellingen van Sibema en [eiseres 2] in onvoldoende mate zekerheid bieden dat [verweerder] strafbare feiten heeft begaan en dat het voorts aan enige concrete onderbouwing ontbreekt waar het gaat om de stelling dat de koop- en/of leveringsakte zou zijn vervalst, onbegrijpelijk zijn. Het subonderdeel wijst erop dat Sibema en [eiseres 2] de stelling dat [verweerder] het strafbare feit van art. 225 Sr Pro (valsheid in geschrifte, in het bijzonder intellectuele valsheid) heeft gepleegd per bestanddeel hebben onderbouwd met feiten die uit de processtukken blijken. Indien het hof twijfelt aan de juistheid van die stellingen, had het Sibema en [eiseres 2] een bewijsopdracht moeten geven, aangezien zij gespecificeerd hebben aangeboden hun stellingen te bewijzen. [54] Ook stelt het onderdeel dat het hof in r.o. 4.13 heeft getoetst aan het verkeerde bestanddeel, omdat Sibema en [eiseres 2] niet hadden gesteld dat de koopovereenkomst was vervalst, maar dat deze valselijk was opgemaakt.
subonderdeel 6.d1is nader onderbouwd dat een onderhandse akte vals kan zijn wanneer daarin voor de wederpartij essentiële feiten niet worden vermeld.
Subonderdelen 6.d2 en 6.d3bespreken de toepassing van art. 3:310 lid 4 BW Pro op de onderhavige rechtsvordering.
Subonderdeel 6.d3stelt, onder meer, onder verwijzing naar onderdeel 2, dat art. 3:310 lid 4 BW Pro in ieder geval van toepassing is op schade die bestaat uit het verdampen van het vermogen van Blaimont, want daarvoor heeft het hof in r.o. 4.7 vastgesteld dat er pas bekendheid was met die schade in 2012.
Subonderdeel 6.d4bevat geen afzonderlijke klacht.
onderdeel 7, aanhef, heeft het hof het recht geschonden dan wel is sprake van verzuim van vormen, doordat het hof niet kenbaar een beslissing heeft genomen op de stelling van Sibema en [eiseres 2] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat aan [verweerder] een beroep toekomt op verjaring, om de ‘navolgende, in onderlinge samenhang te lezen redenen’.
Subonderdeel 7.avoert aan dat het gestelde in par. 366 van de memorie van grieven niet anders kan worden begrepen dan dat Sibema en [eiseres 2] daarmee aanvoeren dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [verweerder] een beroep op verjaring toekomt. Sibema en [eiseres 2] voeren daar aan:
[…]) het bewust in strijd met de waarheid opereren als een belangrijke factor werd gezien die leidde tot het honoreren van een beroep op art. 6:2 lid 2 BW Pro.