ECLI:NL:PHR:2010:BN7207
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek werknemersopties op preferente aandelen in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een adviesbureau, kende in 2002 optierechten toe aan directeuren op preferente aandelen met een nominale waarde van €1 en een looptijd van 20 jaar. De inspecteur weigerde een aftrekpost van €5 miljoen in de vennootschapsbelasting te accepteren, omdat de optierechten volgens hem geen reële waarde vertegenwoordigden.
De rechtbank wees het beroep van belanghebbende af, stellende dat de optierechten geen zelfstandige waarde hadden en geen loon vormden. Het hof oordeelde dat de optierechten wel enige waarde konden vertegenwoordigen en als loon moesten worden aangemerkt, maar dat de waarde in het economische verkeer nihil was, waardoor de aftrek nihil bleef. Het hof vond het forfaitaire waarderingsvoorschrift niet toepasbaar vanwege de afwijkende kenmerken van de preferente aandelen.
De Procureur-Generaal concludeert dat het hof ten onrechte het waarderingsvoorschrift buiten toepassing stelde, aangezien dit voorschrift ook geldt voor preferente aandelen. Echter, omdat de werknemers geen loon genoten, is er geen aftrekpost. De conclusie is dat het cassatieberoep ongegrond moet worden verklaard en de uitspraak van het hof onder gewijzigde motivering in stand kan blijven.
Uitkomst: Belanghebbende heeft geen recht op aftrek van de last ter zake van optierechten op preferente aandelen omdat de werknemers geen loon genoten.